Gronden - water

Het beheer en de sanering van vervuilde gronden en het beheer van de watercyclus in een stedelijk gebied maken deel uit van de sociaaleconomische realiteit van het BHG. Dit is complexe materie waar BECI al lange tijd aandacht aan besteedt.

Het beheer van vervuilde gronden

Voorstel voor de ordonnantie over bodemsanering

Eerste opmerkingen van de gemeenschappelijke werkgroep UOB / Brusselse Havengemeenschap - Haven van Brussel

De werkgroep is op de hoogte gebracht van een lopend regeringsinitiatief dat de belangrijkste elementen van de ordonnantie omvat.
De voorrang gaat nu naar het onderzoeken van de diepere betekenis van dit voorstel.

1. De bestaande juridische basis voor de opgelegde saneringsverplichtingen
Aangezien er geen specifiek juridisch instrument voorhanden is, passen de Regering en het BIM op dit ogenblik verschillende bestaande wetten toe.
Namelijk de ordonnantie over de leefmilieuvergunning (als de vervuiling van een beschermde inrichting komt en als de saneringswerken opgelegd worden met de uitbating ervan als doel) of de ordonnantie voor de preventie en het beheer van afvalstoffen (vervuilde bodems worden hier gelijkgesteld aan afvalstoffen, in de betekenis van deze wet).
Bij gebrek aan normen van het Brussels Gewest maakt de administratie gebruik van “gidswaarden” die ze uit de Nederlandse wetgeving haalt en die niet geschikt zijn voor de aard van de bodem en/of de activiteiten die in het Gewest beoefend worden. De door het BIM gevolgde procedure en methodologie zijn ontleend aan het reglement voor benzinestations (besluit van 21 januari 1999).

2. Algemene principes van het voorstel
Het voorstel is gebaseerd op de bestaande wetgeving in het Vlaams Gewest.
Het systeem is gebaseerd op het onderscheid tussen historische en recente vervuiling, afhankelijk van het feit of de vervuilingsbron voor of na de invoering van de ordonnantie te situeren valt.
De recente vervuiling moet behandeld worden volgens saneringsnormen die de Regering moet opstellen. De saneringsinspanningen moeten de “basiswaarden van de bodemkwaliteit” beogen.
Voor de historische vervuiling bestaat er een soepeler regime: het is enkel verplicht om te saneren als er sprake is van een ernstige vervuiling en als het terrein als dusdanig door de Regering wordt aangeduid. Het saneringsniveau wordt voor elk geval afzonderlijk door de Regering bepaald.
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de eventuele saneringswerken komt aan de uitbater toe als er op het perceel beschermde installaties staan, en anders aan de eigenaar. De financiële verantwoordelijkheid ligt bij de verantwoordelijke voor de vervuiling.
Een systeem met attesten moet toelaten om transacties veilig te maken bij overdracht van het uitgebate terrein.
Degene die de saneringswerken uitvoert, moet financiële garanties vastleggen.
De tekst voorziet niet in specifieke regels voor historische vervuiling waarvan de verantwoordelijke niet gekend is.

3. Eerste bemerkingen van de werkgroep
De werkgroep heeft al enkele bemerkingen over het voorstel voor de ordonnantie geformuleerd
3.1 De grootste bekommering van de bedrijven is dat er normen opgesteld worden die toelaten om de beslissingen, die het BIM op dit ogenblik op basis van ongeschikte criteria neemt, te omkaderen.
Net zoals in het voorstel beschreven staat, moeten deze normen zoveel mogelijk opgesteld worden op grond van de bodem, de geldende regels en het bestemmingsplan.
De referentie naar de “basiswaarden” van de grondkwaliteit, gedefinieerd in het voorstel “als deze die de natuurlijke basis van niet-vervuilde gronden met gelijkaardige kenmerken uitmaken”, lijkt moeilijk samen te gaan met de toepassing van de reglementen en het bestemmingsplan. Dat zal ongetwijfeld het geval zijn in de industriezones (“stedelijke industriegebieden” en “zones voor haven- en transportactiviteiten”).
Vooral in deze zones is een tussennorm, die een grenswaarde vastlegt voor concentraties waaronder het risico verwaarloosbaar is, net zoals de “drempelwaarden” in het besluit over de “benzinestations”, geschikter en realistischer op economisch vlak.

3.2 Deze “drempelwaarden” moeten ook rekening houden met de activiteiten die op het terrein beoefend zullen worden. Naast de criteria voor de grondkwaliteit en de bestemmingsregels moeten ook de “gebruiksdoelstellingen” voor de bodem meetellen. Het proportionaliteitsprincipe moet toegepast worden in het geval saneringswerken noodzakelijk zijn.

3.3 De toepassing van de saneringsnormen en de planning van eventuele saneringswerken zouden eventueel bepaald kunnen worden op grond van een geografische groepering van sites of activiteiten. De zone van de haven van Brussel of de industriezones zijn een goede werkhypothese voor een geografische groepering van activiteiten.
De saneringsactiviteiten kunnen ook via een conventioneel procedé gebeuren. De ordonnantie moet het BIM daarvoor expliciet de bevoegdheid geven om kaderovereenkomsten met ondernemingen af te sluiten, met bepalingen die de ondertekenaars vrijstellen van alle andere administratieve toelatingen bij de uitvoering van saneringswerken (zie punt 3.6).
Tenslotte kan de Franse ervaring van de “indamming”, in combinatie met “beperkingen op het gebruik” die vastgelegd worden in de notariële akten van de transacties met de betrokken woningen, interessante alternatieven opleveren in de zones die voor industriële activiteiten bestemd zijn.

3.4 Een benadering gebaseerd op een groepering van de terreinen en de activiteitensectoren laat toe om de eventuele financiële participatie van de ondernemingen in de sanering van historische vervuiling eerlijker te bepalen.
Dit veronderstelt een pooling van de saneringskosten en versterkt de link tussen de aard van de activiteiten en de saneringsinspanning.

3.5 Verschillende bepalingen van het voorstel (artikels 29 en 33 van de onderzochte tekst) voorzien in een verplichting voor diegene die een sanering uitvoert, om een financiële garantie te bieden als het BIM daar om vraagt.
De uitvoering van deze verplichting zal waarschijnlijk omvangrijke kapitalen vastzetten en kan de uitvoering van de sanering in gevaar brengen of deze vertragen.
Garanties onder de vorm van een bankgarantie moeten mogelijk zijn, omdat dit geen kapitaal immobiliseert.
In het tegenovergestelde geval moeten de geïmmobiliseerde kapitalen vrijgemaakt kunnen worden naarmate de werken uitgevoerd worden en voor de financiering daarvan kunnen aangewend worden.

3.6 De ordonnantie moet voorzien in overgangsmaatregelen die rekening houden met saneringen die uitgevoerd worden op basis van andere reglementaire bepalingen, zoals het besluit van 21 januari 1999 over de installatie en de uitbating van benzinestations, waardoor deze niet in vraag kunnen gesteld worden op basis van de toekomstige ordonnantie over bodemsaneringen.
Deze kan dus geen retroactief effect hebben voor voldoende geattesteerde en beëindigde saneringswerken.

3.7 De “ontwikkelingen” van het voorstel tonen terecht aan dat de regering de intentie heeft om werven voor saneringsoperaties van een milieuvergunning vrij te stellen.
Deze vrijstelling zal expliciet in dit regeringsontwerp aangekondigd moeten worden.
Dit zou ook zo moeten zijn voor alle andere administratieve toelatingen voor het uitvoeren van saneringswerken (stedenbouwkundige vergunning, toelating voor het opvangen van grondwater, effectenrapport). Die moeten vervangen worden door een kennisgeving aan de betrokken overheden. Zij zouden dan het recht hebben om een advies te geven binnen een strikte periode (van 30 dagen) waarna het BIM een beslissing neemt.
Elke vertraging in het uitvoeren van saneringsoperaties kan immers de vervuiling nog verergeren en de exploitatie van de site in gevaar brengen.

3.8 Over het algemeen moeten de procedures en termijnen die nodig zijn voor de analyses erg strikt zijn.
Juli 2002.

Download het document