Milieuaansprakelijkheid – omzetting van de richtlijn

Omzetting van de richtlijn over milieuaansprakelijkheid

Gemeenschappelijk standpunt van VBO, UWE, VOKA en VOB: Synthese

Het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO), de Union Wallonne des Entreprises (UWE), het Vlaams netwerk van ondernemingen (Voka) en het Verbond van Ondernemingen te Brussel (VOB) hebben een gemeenschappelijk standpunt ingenomen in verband met de omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn (2004/35/CE) over milieuaansprakelijkheid.

Deze richtlijn die op 21 april 2004 goedgekeurd werd, definieert het aansprakelijkheidskader op basis van het principe “de vervuiler betaalt” met als bedoeling milieuschade te voorkomen en te herstellen. De Staten moeten deze omzetting ten laatste tegen 30 april 2007 uitvoeren.

Rekening houdend met de verdeling van de bevoegdheden over de verschillende niveaus van de staatsinstellingen vonden de vier werkgeversorganisaties dat ze een gemeenschappelijke stem moesten laten horen. Dit als uitnodiging voor de betrokken overheden om met elkaar te overleggen en het algemeen kader voor deze materie in een samenwerkingsovereenkomst vast te leggen. Daarnaast ook om te benadrukken dat de overheid van elk institutioneel niveau zich aan de Europese voorschriften dient te houden en geen maatregelen mag nemen die strikter zijn dan deze voorschriften en de concurrentiekracht van de ondernemingen op internationaal of interregionaal vlak zouden kunnen belemmeren.

Het VBO, VOB, UWE en Voka willen ook hun standpunt verduidelijken in verband met de verschillende opties voor de omzetting die de richtlijn aan de Lidstaten overlaat. Dit zijn de opties:

De “permit defence” (art. 8 §4a)

De richtlijn voorziet in de mogelijkheid om vrijgesteld te worden van de milieuaansprakelijkheid als de uitbater de voorwaarden van een vergunning of toelating naleeft.

Het VBO, VOB, UWE en Voka dringen erop aan om dit principe van vrijstelling van de milieuaansprakelijkheid over te nemen in de interne wetgeving. Ze beschouwen de vergunning en de begeleidende voorwaarden als een geschikt preventie-instrument dat zowel de onderneming als de betrokken overheid een gepaste juridische zekerheid garandeert.

Dit verdedigingsmiddel is niet nieuw: het werd reeds erkend door het Verdrag van Lugano uit 1993 (voor het herstellen van schade door activiteiten die gevaarlijk zijn voor het leefmilieu) en door het Protocol van Bazel uit 1999 (inzake de beheersing van het grensoverschrijdend transport van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan). De vergunningen hebben als doel de milieuschade van een activiteit te voorkomen of te beperken. Als deze vergunning nageleefd wordt, is het dus ook logisch dat de houder van de vergunning de naleving daarvan kan inroepen als uitzondering voor diens verantwoordelijkheid.

Ontwikkelingsrisico’s of “State of the art defence” (art. 8 §4b)

In het verleden was wetenschappelijke kennis beperkter en het zou dan ook verkeerd zijn om bedrijven, die niet konden weten dat hun handelingen milieuschade veroorzaakten, daarvoor verantwoordelijk te stellen.

Deze andere vrijstellingsclausule slaat op de uitstoot, de activiteiten of het gebruik van producten waarvan de uitbater kan bewijzen dat ze niet beschouwd werden als potentieel gevaarlijk voor het milieu, rekening houdend met de wetenschappelijke kennis en technieken op het ogenblik dat de uitstoot of de activiteit gebeurde.

De ontwikkelingsrisico’s moeten in het Belgisch recht als een vrijstellingsreden gelden zoals toegelaten door de richtlijn. Praktijken die op het ogenblik van de oorzaak binnen een bepaalde sector als goed golden, moeten achteraf niet veroordeeld worden. Anders te werk gaan zou neerkomen op het toekennen van een retroactief effect aan de evolutie van  wetenschappelijke kennis en techniek.

Meervoudige oorzaken (Considerans 22, art. 9)

Voor de verdeling van de kosten in geval van gedeelde verantwoordelijkheid (meervoudige oorzaken) moet het evenredigheidsprincipe (en niet dat van de hoofdelijke aansprakelijkheid) toegepast worden.

De mate waarin een uitbater verantwoordelijk gehouden wordt voor het herstel van schade zou moeten afhangen van diens eigen aandeel in de schade. De verantwoordelijkheid van de gebruiker kan niet op voorhand uitgesloten worden. Het gaat om een strikte toepassing van het principe “de vervuiler betaalt”.

 “Dubbele recuperatie” van de kosten (art. 16§2)

In sommige situaties is een “dubbele recuperatie” mogelijk

Deze situatie kan zich voordoen bij gelijktijdige rechtszaken door een bevoegde overheid die de richtlijn toepast en tegelijkertijd door een persoon die milieuschade heeft geleden. De mogelijkheid van een “dubbele recuperatie” moet uitgesloten worden tijdens de omzetting.

Definiëring van het begrip uitbater (art. 2§6)

Het begrip uitbater is veel te vaag en moet dus gedefinieerd worden.

De werkgeversorganisaties wensen dat het begrip uitbater beperkt wordt tot elke natuurlijke of rechtspersoon, privaat of openbaar, die een professionele activiteit uitoefent of controleert.

Voorwaarden voor het inleiden van een rechtsvordering (art. 12§1)

De Lidstaten bepalen de gevallen waarin er een “voldoende belang” bestaat of wanneer gevallen met een “rechtsinbreuk” een rechtsvordering mogelijk maken.

De definitie van het voldoende belang moet verwijzen naar de criteria in de Belgische wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. Bij het vastleggen van deze definities moet de overheid aandacht hebben voor het voorkomen van misplaatste of dilatoire rechtsvorderingen.

De verplichting om relevante gegevens en informatie voor preventie te bezorgen

Deze verplichting moet verduidelijkt worden.

Overeenkomst voor het herstel van de schade

Er moet voorzien worden in de mogelijkheid dat de overheid en de uitbater een overeenkomst afsluiten om het herstel te vervangen door een betaling.

December 2005