Besluit betreffende antennes die elektromagnetische golven uitzenden

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende bepaalde antennes die elektromagnetische golven uitzenden

In het algemeen herhaalt de Raad/BECI  zijn verzoek aan de Regering om de invoering van de Ordonnantie en de uitvoeringsbesluiten uit te stellen om een oplossing te kunnen vinden voor de punten die uiteengezet werden in de conclusie van het deel van het advies dat betrekking heeft op de Ordonnantie.

Over de besluiten zelf formuleert de Raad/BECI de volgende opmerkingen:

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende bepaalde antennes die elektromagnetische golven uitzenden (milieuvergunning)

De procedure voor de milieuvergunning klasse 2 en het voorstel van de Staatssecretaris bevoegd voor stedenbouw.

BECI stelt vast dat het voorontwerp van het besluit de bestaande en toekomstige antennes aan een milieuvergunningsprocedure onderwerpt. Deze procedure komt bovenop de al zware procedure om een stedenbouwkundige vergunning te krijgen voor dezelfde antennes. De Raad/BECI vraagt zich af of dit noodzakelijk en opportuun is en wat de toegevoegde waarde is van een bijkomende procedure van dit type. Dit veroorzaakt veel tijdverlies voor zowel de operatoren als de administratie (in de toelichting van het besluit wordt er zelfs gewag gemaakt van een “omvangrijke opdracht”).

BECI vreest vooral dat deze administratieve lasten een negatief gevolg zullen hebben op de investeringen van de operatoren en hen zullen ontmoedigen om verder te investeren op het grondgebied van het Gewest. In een periode van crisis is dat zeker niet aanbevolen. BECI stelt voor om na te gaan of een eenvoudigere procedure niet geschikter is, zoals de procedure voor een attest van het BIM (een vergelijkbare procedure als deze die het BIPT gebruikt voor het controleren van de federale normen) of de procedure voor een milieuaangifte (klasse 3).

De procedure voor een milieuvergunning klasse 2 komt neer op een strikte procedure van 80 dagen. Dit betekent dat als het BIM binnen deze periode geen uitspraak doet, dit neerkomt op een stilzwijgende weigering. BECI vraagt zich af of het BIM wel in staat is om alle dossiers (voor het regulariseren van bestaande en voor nieuwe antennes) binnen deze periode te behandelen. Anders bestaat het risico op een groot aantal stilzwijgende weigeringen. Hetzelfde probleem doet zich voor in verband met de beroepsprocedures. BECI wijst er ook op dat het in sommige gemeenten mogelijk zal zijn dat er twee openbare onderzoeken moeten georganiseerd worden (milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning).

Het juiste verband tussen de procedure voor de milieuvergunning en de procedure voor de stedenbouwkundige vergunning is niet duidelijk. Het voorstel van de Staatssecretaris bevoegd voor stedenbouw is op dit vlak contradictorisch. Enerzijds stelt het dat het verkrijgen van een milieuvergunning klasse 2 een voorafgaande voorwaarde is om de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning te onderzoeken, en anderzijds stelt het verder dat het een voorafgaande voorwaarde is om deze vergunning af te leveren. Het zou beter zijn, mochten beide procedures gelijktijdig behandeld worden om de termijn die nodig is om het huidige netwerk aan de lagere normen aan te passen niet nodeloos te verlengen.

In afwachting van de oprichting van de gewestelijke dienst bevoegd voor het bestuderen, verifiëren en controleren van de norm (het BIM), of ingeval het BIM niet in staat zou zijn om de nieuwe aanvragen te behandelen door de grote werklast voor de verificaties op de bestaande sites, stelt het voorstel van de Staatssecretaris bevoegd voor stedenbouw, als overgangsmaatregel dat een verklaring op eer geëist wordt voor het behandelen van nieuwe aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen. Het is echter onmogelijk om dergelijke verklaring op te stellen zonder dat de juiste toepassingsmodaliteiten (methodologie, verdeling tussen de operatoren, …) gekend zijn, of zonder duidelijke en toepasbare modaliteiten. De Raad stelt zich ook vragen bij de juridische zekerheid van vergunningen die op een dergelijke basis verstrekt worden.

Besluit milieuvergunning is een bron van onzekerheid voor de gsm-operatoren

Verschillende elementen zijn een bron van onzekerheid voor de gsm-operatoren:

1. Het toepassingsgebied van de ordonnantie (Art. 2) en van de uitvoeringsbesluiten (Besluit milieuvergunning, Art. 2) verschillen onderling: technologieën zoals de netwerken van ASTRID en de NMBS zouden niet onderworpen zijn aan de milieuvergunning maar wel aan de Brusselse ordonnantie. Dat betekent dat het niveau van de maximale norm in Brussel alleen al door hun stralingsbronnen bereikt kan worden. In dat geval zouden de gsm-operatoren deze plaatsen niet langer kunnen dekken.

2. Op de plaatsen waar de Brusselse norm voor mobiele telefonie op basis van theoretische simulaties op minstens één plaats met 10% overschreden wordt, moeten metingen gebeuren om te garanderen dat alle straling samen onder de norm blijft (Besluit milieuvergunning, Art. 4 §1). Dit geeft vier problemen:

• In dit stadium is het, gelet op het Besluit dat de meetprocedures vastlegt (Art. 9), niet mogelijk te weten wie deze opmetingen zal uitvoeren. Het is bijna onmogelijk om met een enkel toestel precieze metingen tussen 0.1 kHz en 300 GHz te doen. Trouwens, boven 40 GHz meet men voornamelijk ruis aangezien geen enkele civiele toepassing de hogere frequenties gebruikt (Besluit dat de meetprocedures vastlegt - Art. 8).

• Meer dan 80% van de basisstations voor mobiele telefonie komen op basis van de theoretische berekeningen 10% boven de Brusselse norm uit. Als de operatoren de metingen moeten uitvoeren, kunnen ze moeilijk verondersteld worden te weten welke wijzigingen de concurrentie in de dagen, maanden of jaren na de meting in hun netwerk zullen doorvoeren. De resultaten zullen dus helemaal afhangen van het ogenblik waarop de meting is uitgevoerd, aangezien de elektromagnetische omgeving niet stabiel is.

• Volgens de federale normen moeten er metingen gebeuren als de straling van een antenne op minstens één plaats met meer dan 5% de norm overschrijdt. Slechts 5% van de basisstations bevonden zich in deze situatie. De metingen gebeuren hier dus in een stabiele elektromagnetische omgeving.

• De metingen moeten zo dicht mogelijk bij het punt dat de norm met 10% overschrijdt, uitgevoerd worden. Dat maakt het waarschijnlijk dat er metingen in gebouwen moeten gebeuren. Het is een illusie te veronderstellen dat de mensen spontaan de opmeter zullen binnenlaten. Zonder deze metingen is het onmogelijk om een dossier voor een milieuvergunning samen te stellen. Voorstel: de metingen moeten gebeuren door agenten van het BIM of anders moet het mogelijk zijn dat de operatoren deze metingen buiten de gebouwen uitvoeren.

Problemen in verband met de regularisatiefases voor de bestaande basisstations

Er is in twee regularisatiefases voorzien die allebei als enig criterium het stralingsvermogen van de antennes als uitgangspunt hebben (Besluit dat de meetprocedures vastlegt - Art. 6). Dat laat niet toe om de werklast evenredig te verdelen. Het zou beter zijn als er voor deze verdeling overleg komt met de operatoren.

Het voorontwerp van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de methoden en de omstandigheden voor de meting van het elektromagnetische veld dat door bepaalde zendmasten uitgezonden wordt

Problemen bij het BIM

Voor zover wij weten zijn er twee problemen waarvoor het BIM nog geen oplossing gevonden heeft.

1. Een capaciteitsprobleem

Om al de aanvragen voor de milieuvergunningen te behandelen en de controlemetingen op het terrein uit te voeren, zal het BIM een groot aantal competente medewerkers moeten aanwerven. Voor zover wij weten, zijn deze nog niet aangeworven.

2. De beschikbaarheid van de meettoestellen

Momenteel beschikt het BIM nog niet over meettoestellen. De kostprijs van deze toestellen is niet verwaarloosbaar. Bovendien is het, zoals hierboven vermeld, bijna onmogelijk om een betrouwbaar toestel te vinden waarmee de volledige frequentieband uit de ordonnantie gemeten kan worden.

BECI vreest dat het BIM niet tijdig klaar zal zijn en dat de toekenning van de vergunningen daardoor vertraging zal oplopen (zie bovenvermelde vertraging van 2 tot 5 jaar).

Download het document