Nota met opmerkingen van BECI over de gsm-masten

Nota met opmerkingen van BECI over de gsm-masten

Nota met opmerkingen van BECI in het kader van de werkzaamheden van de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Het ESRBHG werd geraadpleegd over de twee voorontwerpen van besluit voor de invoering van de Ordonnantie van 1 maart 2007 betreffende de bescherming van het leefmilieu tegen de eventuele schadelijke effecten en hinder van niet-ioniserende stralingen.

BECI stelt vast en betreurt dat het ESRBHG niet geraadpleegd werd voor de Ordonnantie zelf terwijl dit wetgevend initiatief vanzelfsprekend een sociaaleconomische impact heeft. BECI betreurt ook dat vooraf geen enkele effectmeting uitgevoerd werd. In deze context, en zonder zich uit te laten over de besluiten, formuleert BECI de volgende opmerkingen over de Ordonnantie.

Ordonnantie

De Ordonnantie introduceert een beperking op het stralingsvermogen van niet-ioniserende straling van 0,024W/m², of gecumuleerd 3V/m, en verantwoordt deze beperking met het voorzorgsprincipe ten opzichte van het milieu (en de gezondheid).

BECI kan het voorzorgsprincipe enkel onderschrijven, maar de vraag is natuurlijk tot op welk niveau dit voorzorgsprincipe dient doorgetrokken te worden. Een reeks factoren dienen in aanmerking genomen te worden: de inschatting van het risico van deze straling op het milieu/de gezondheid, de geldende aanbevelingen en normen, de economische en sociale impact en de haalbaarheid van een dergelijke maatregel.

1. De inschatting van het risico van deze straling op het milieu/de gezondheid

BECI verwijst hiervoor naar gerenommeerde instellingen binnen dit domein:

- De WGO (Wereldgezondheidsorganisatie) meldt in haar fact sheet nr. 304 (mei 2006) over elektromagnetische velden en volksgezondheid: “Rekening houden met de heel lage blootstellingsniveaus en de onderzoeksresultaten die op dit ogenblik beschikbaar zijn, bestaat er geen enkel wetenschappelijk overtuigend element dat eventuele schadelijke effecten van de basisstations en de draadloze netwerken voor de gezondheid aantoont.”

- Europese Commissie, GD Sanco, rapport SCENIHIR (februari 2009), p. 6: “In conclusion, no health effect has been consistently demonstrated at exposure levels below the ICNIRP-limits established in 1998. However, the data base for this evaluation is limited especially for long-term low-level exposure.”

- De FOD Volksgezondheid heeft in mei 2008 een brochure gepubliceerd die onder andere door de Hoge Gezondheidsraad nagelezen werd: ‘Elektromagnetische velden en gezondheid: uw wegwijzer in het elektromagnetische landschap’.

Op basis van deze documenten stelt BECI vast dat het wetenschappelijk debat over de potentiële impact op lange termijn van elektromagnetische straling op het leefmilieu en de gezondheid nog niet afgesloten is. Dat verantwoordt het voorzorgsprincipe.

Maar als de logica van 3V/m op basis van het voorzorgsprincipe doorgetrokken wordt, wil BECI erop wijzen dat de Ordonnantie ook voor de radio- en televisie-uitzendingen zou moeten gelden. Deze media gebruiken immers aanzienlijk sterkere zendstations dan het geval is voor mobiele telefonie. BECI is verbaasd dat dit niet zo is.

 

2. De geldende aanbevelingen en normen

21 van de 27 landen van de Europese Unie volgen de aanbevelingen van Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) op. Deze leggen  een grenswaarde op van 41.2 V/m voor een referentiefrequentie van 900 MHz. De norm van de federale regering is viermaal strenger dan de aanbevelingen van de WGO en bedraagt 20.6 V/m voor een referentiefrequentie van 900 MHz. De Brusselse ordonnantie legt een norm op die nog vijftigmaal strenger is dan de federale norm (of tweehonderdmaal strenger dan de aanbevelingen van de WGO) en uiteindelijk 3 V/m bedraagt voor een referentiefrequentie van 900 MHz. Dit gaat om gecumuleerde waarden die op elk ogenblik van de dag gelden, dus ook tijdens de piekmomenten op de netwerken.

ILL

ILLUSTRATIE:

Brussel: maximaal 3V/m, 24u/24 – 0.1 MHz… 300 Ghz, 0,5% ICNIRP

Parijs: gemiddeld 2V/m, maximaal 4.6 V/m – alleen gsm-operatoren, 1,25% ICNIRP

De referenties naar lagere normen dan die van ICNIRP moeten met de nodige voorzichtigheid benaderd worden wegens de uiteenlopende toepassingsmodaliteiten van de verschillende normen (vb.: gemiddelde tijdens 24u of een maximale waarde, enkel voor mobiele telefonie of ook voor andere stralingsbronnen, …).

Voorbeelden:

- Groothertogdom Luxemburg: 3 V/m per antenne; niet-cumulatief; enkel mobiele telefonie. M.a.w., als drie gsm-antennes en drie umts-antennes straling naar een bepaald punt van het grondgebied zenden, mag elke antenne op dit punt 3 V/m halen, wat neerkomt op een gecumuleerd elektrisch veld van 7,3 V/m.

- Parijs: een overeenkomst voor het niet-overschrijden van een gemiddelde van 2 V/m per 24u voor de 900 MHz-frequentie. In realiteit betekent dit een maximum van gemiddeld 4.6 V/m voor de 900 MHz-band; voor andere bronnen gelden de ICNIRP-waarden.

- Kanton Salzburg: 0,6 V/m voor mobiele telefonie. Om technische (en economische) redenen kan deze norm in stedelijk gebied niet nageleefd worden en bovendien is ze voorbijgestreefd (bron: Zwitserse regulator). Ze wordt dus niet toegepast. De Oostenrijkse wetgeving is gebaseerd op de ICNIRP-norm.

- Toscane (Italië): de norm van gemiddeld 0,6 V/m voor enkel mobiele telefonie werd opgeheven. Voor andere bronnen gelden de ICNIRP/WGO-waarden.

Op dit ogenblik is er geen enkel wetgevend initiatief op het niveau van de twee andere Belgische Gewesten geweest.

BECI stelt vast dat de nieuwe Ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de strengste regio van heel Europa maakt. In deze omstandigheden vindt BEIC het veel belangrijker om rekening te houden met de sociaaleconomische gevolgen voor de haalbaarheid van deze maatregel.

BECI benadrukt trouwens ook het belang van coherentie tussen de drie Gewesten van het land.

 

3. Economische en sociale gevolgen

- Kwaliteit van het netwerk

De Brusselse Ordonnantie bepaalt dat de gecumuleerde straling van alle betrokken operatoren, met inbegrip van de ASTRID-netwerken (de telecomoperator voor de Belgische hulp- en veiligheidsdiensten) en de NMBS, niet meer dan 3 V/m (voor een frequentie van 900 MHz) mag bedragen.

Zonder extra masten betekent dat plafond een daling van de kwaliteit van het netwerk. De mobiele telefoondiensten zullen hier op de volgende manieren onder lijden:

- moeilijkheden om te bellen (zeker binnen in gebouwen);

- doorschakeling naar voice mail als de telefoon geen verbinding heeft

- een hoger aantal onderbroken oproepen;

- lagere capaciteit (= aantal gelijktijdige oproepen in een bepaald gebied);

- twijfel over haalbaarheid van projecten en verminderde betrouwbaarheid van de dienstverlening in verband met beveiliging van  transport (signalen voor bus, trein, tram) of de opvolging van het binnenstedelijk wegtransport.

Maar het zijn uiteraard vooral de eindgebruikers (burgers en bedrijven) die het slachtoffer worden van een lagere netwerkkwaliteit. Dit heeft ook gevolgen voor:

- de bereikbaarheid van de hulpdiensten (de telefoonnetwerken dienen als back-up indien ASTRID en de netwerken van het openbaar vervoer slecht functioneren) en de invoering van het algemeen noodnummer 112 op Europees niveau, dat daardoor wordt bemoeilijkt;

- de efficiëntie en de interventietijden van de hulpdiensten;

- de verkeersinformatie die gebaseerd is op de gsm-densiteit op de verkeersassen;

- de netwerken voor bewaking op afstand (vb.: de bewakingscamera’s in de voertuigen van de MIVB) in geval van agressie en/of ongeval. De operatoren staan in voor een deel van deze bewakingsnetwerken;

- het voorzien in extra capaciteit tijdens cultuur-, sport- of politieke events (vb.: Europese top).

Specifiek voor de hulpdiensten dienen we te vermelden dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen overleg heeft gepleegd om de impact op deze diensten te evalueren en na te gaan op welke manier de bedrijfszekerheid daarvan kan gegarandeerd worden.

Deze Ordonnantie gaat ook in tegen het Internationaal ontwikkelingsplan van Brussel. Volgens dat plan “vormen de kwaliteitsvolle telecomdiensten een troef die uitgespeeld moet worden. (…) De kwaliteit van de telecomdiensten is een essentieel punt dat verbeterd moet worden om infrastructuur aan te bieden op het niveau van de internationale dimensie van Brussel.”

Om te voorkomen dat de kwaliteit van het netwerk vermindert, denken de gsm-operatoren dat het aantal basisstations met 40% moet stijgen. Dit is gebaseerd op cijfers uit de technische verslagen van het BIPT (http://www.sites.bipt.be), die een overzicht geven van de maximale intensiteit van de velden op bepaalde controlepunten (in de meest pessimistische situatie bevinden de controlepunten zich op plaatsen waar de blootstelling het hoogst is).

Tijdens de analyse van de Ordonnantie in het Brussels Parlement hebben de parlementsleden zich gebaseerd op een reeks metingen van de dienst NCS (analyse na de installatie) van het BIPT en zijn ze ervan uitgegaan dat dit gevolgen zou hebben voor 8% van het netwerk.

Maar deze 8% zijn gebaseerd op oude metingen. Het BIPT deed deze metingen grotendeels voor 2005 en toen hadden Base en Mobistar nauwelijks umts-infrastructuur uitgebouwd. Ook het WiMax-netwerk bestond nog niet. Deze metingen zouden nu dus hogere resultaten geven. Bovendien zijn de gemeten waarden (reële omstandigheden) lager dan de berekende theoretische waarden. Toch zijn de evaluaties door de operatoren aan de hand van de theoretische waarden gebeurd. Voor de controle van het naleven van de federale norm is dat altijd zo geweest.

BECI vraagt de Regering om deze cijfers opnieuw te evalueren.

Als de impact hoger dan 8% ligt, vindt de Raad dat de voorzichtigheid van de overheid overdreven is in vergelijking met de economische impact van de maatregel.

- Het opsplitsen van de straling tussen bestaande vs. toekomstige operatoren

BECI vraagt zich af hoe de operatoren de toegestane straling onderling zullen moeten delen en hoe nieuwe operatoren zich op de markt zullen kunnen begeven. Ongeacht wat er gebeurt, zullen deze twee kwesties toch geregeld moeten worden vooraleer de Ordonnantie van kracht kan worden.

Laten we in elk geval al vermelden dat het voor nieuwe operatoren mogelijk moet zijn om de markt te betreden. Anders zou dit de concurrentie en de komst van nieuwe innoverende operatoren belemmeren.

Maar als de komst van nieuwe spelers een vermindering van het aan de bestaande operatoren toegekende deel van de straling zou betekenen, waarschuwt BECI de Regering voor nog grotere gevolgen voor de kwaliteit van het netwerk dan wat in het voorgaande punt is aangehaald.

- Innovatie en investeringen

Het vrij strikte plafond voor de elektromagnetische stralen van de Ordonnantie remt de economische ontwikkeling en vooral de invoering van nieuwe technologieën (in de andere Europese regio’s is dit remmend effect veel beperkter). De bestaande netwerken zullen immers al snel de maximale capaciteit voor niet-ioniserende straling bereiken.

Dat kan volgende gevolgen hebben voor de innovatie:

- beperking van nieuwe investeringen in infrastructuur die noodzakelijk is voor de stijgende mobiliteit (zoals ums en de breedbandnetwerken zoals HSDPA, LTE, Wimax);

- beperking van mobiele data-applicaties zoals videoconferentie, mobiele televisie, mobiel internet, mobiele applicaties voor bewaking op afstand, enz.;

- twijfel over haalbaarheid van de uitbouw van een infrastructuur voor elektronische wegentol of een stads-wifi.

Deze Ordonnantie gaat eens te meer in tegen het Contract voor de Economie en de Werkgelegenheid waarin ITC als innovatieve sector bestempeld werd.

Vertraging en annulering van investeringen in nieuwe technologieën  hebben gevolgen voor de Brusselse economie en werkgelegenheid. Met de huidige crisis is het uiterst belangrijk dat we een juist evenwicht vinden tussen het leefmilieu/volksgezondheid enerzijds en de kwaliteit van onze telecommunicatie-infrastructuur anderzijds. Onze economie en dus ook de Brusselse werkgelegenheid hangen hier in grote mate van af. Voor dit evenwicht moeten we ons baseren op erkende internationale instellingen met competenties op het vlak van volksgezondheid en op de wetgeving uit de grote meerderheid van de ons omringende landen waarvan we kunnen veronderstellen dat zij het voorzorgsprincipe ook naleven. BECI stelt zich vragen bij het disproportioneel grote verschil tussen de beslissingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de normen die elders in Europa gelden. Dat geeft aan dat er geen juist evenwicht bereikt is.

4. Haalbaarheid en timing

Los van de economische en sociale gevolgen van de Ordonnantie zijn er nog verschillende andere kwesties die nog niet opgelost zijn waardoor het bijna onmogelijk wordt om de Ordonnantie toe te passen:

- Hoe wordt de 3 V/m tussen de operatoren verdeeld?

- Hoe kunnen we ervoor zorgen dat nieuwe spelers nog een kans maken op de markt?

De Ordonnantie had trouwens ook vanaf 14 maart 2009 van kracht moeten worden, terwijl de uitvoeringsbesluiten niet voor maart 2009 gepubliceerd zouden worden. Daardoor is het voor de gsm-operatoren onmogelijk om de bijkomende masten te plaatsen die noodzakelijk zijn om de kwaliteit van het netwerk te verzekeren. Ze moeten nog geschikte plaatsen vinden voor deze antennes en de stedenbouwkundige en milieuvergunningen aanvragen. Alles samen kan dat 2 tot 5 jaar duren (de periode om een huurcontract af te sluiten, een stedenbouwkundige vergunning (minstens 2 jaar) en een milieuvergunning te krijgen, de aanpassingsperiode voor het BIM en het tijdsverlies door de technische beperkingen voor de aanpassingen van het netwerk). Gedurende heel deze periode zou de kwaliteit van het netwerk dus ondermaats zijn. Bovendien valt er te vrezen dat het groter aantal sites nodig om de huidige dekking te behouden niet altijd op veel bijval van de buurtbewoners zal kunnen rekenen.

Conclusie

BECI benadrukt dat volgende zaken absoluut noodzakelijk zijn vooraleer de Ordonnantie van kracht kan worden:

- De cijfers waarmee de impact van de Ordonnantie op de kwaliteit van het netwerk berekend werd, moeten opnieuw geëvalueerd worden. Als blijkt dat de impact meer dan 8% bedraagt (rekening houdend met de eventuele komst van nieuwe operatoren en nieuwe technologieën), moet de Ordonnantie worden herzien.

- De operatoren moeten voldoende tijd krijgen om zich naar de nieuwe wet te schikken.

- Er moet een antwoord komen op de vraag hoe de 3 V/m tussen de verschillende operatoren opgesplitst moet worden en hoe het zit met de komst van concurrenten en nieuwe technologieën.

- Er moet overleg komen met de twee andere Gewesten.

BECI benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is om de invoering van de Ordonnantie uit te stellen tot er een oplossing is voor deze verschillende punten.

Download het document