Preventie en bestrijding van het stadslawaai

Preventie en bestrijding van het stadslawaai in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (ontwerp van het plan 2008-2013)

OPMERKINGEN VAN BECI IN HET KADER VAN HET OPENBAAR ONDERZOEK.         

BECI schaart zich achter de opmerkingen die de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in zijn advies van december 2008 heeft gemaakt. BECI wil het advies benadrukken en aanvullen met de volgende opmerkingen.

BECI gaat in het bijzonder akkoord met de volgende algemene doelstellingen van het plan:

“Streven naar een verbetering van de leefomgeving voor allen die op het grondgebied van het Gewest wonen of werken”, “het recht van de burger op een gezonde geluidsomgeving, evenwel rekening houdend met een zekere technisch-economische werkelijkheid” bevorderen, “de residentiële aantrekkelijkheid bevorderen via een aantrekkelijke omgeving en een harmonieus levenskader, en door de inwoners te beschermen tegen overlast, activiteiten ontwikkelen die voor de inwoners van het Gewest een sociale vooruitgang betekenen”.

BECI benadrukt dat deze kwalitatieve benadering van het leefmilieu voor de mensen die in het Gewest leven en werken deel uitmaakt van de voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling. De vier werkgeversorganisaties (VOB, BECI, UWE en Voka) hebben dit trouwens tot een transversale voorwaarde voor de ontwikkeling van de Brusselse metropolitane ruimte (Brussels Metropolitan Region – BMR) gemaakt.

BECI onderschrijft ook het zoeken naar synergiën met andere Gewestelijke plannen, zoals het Gewestelijk Bestemmingsplan, het Iris-vervoerplan, de plannen over het leefmilieu, enz.

BECI benadrukt dat er ook naar synergiën met de plannen van de aangrenzende Gewesten moet gezocht worden aangezien deze en hun bepalingen gevolgen hebben voor de ontwikkeling van het uitgestrekte economische en sociale hinterland van Brussel.

De voorschriften 24 tot 26 van het plan, over het toezicht van het luchtverkeer, zijn een goed voorbeeld van de noodzaak om samen te werken met de federale overheid en de Gewesten. De voorschriften kunnen immers schadelijk zijn voor de aantrekkelijkheid en de ontwikkeling van de Luchthaven van Brussel-Nationaal, die voor Brussel toch een fundamentele economische hefboom vormt.

Voor het beheer van de problematiek dringt BECI erop aan dat het Gewest zich aan de volgende principes houdt:

- Het is noodzakelijk om het Europese principe van een “balanced approach” na te leven. Dit vereist dat bij de keuze van de maatregelen om de overlast die de werking van een luchthaven veroorzaakt te beperken, de kosten en de baten van deze maatregelen tegenover elkaar moeten worden afgewogen en rekening moet worden gehouden met de nagestreefde milieudoelstellingen.

- Geen discriminatie tussen luchttransport en andere transportmiddelen (weg en spoor), zowel voor de geluidsnormen als voor de sancties indien deze normen overschreven worden.

Over de actieprincipes en voorschriften:

Voorschriften 1 tot 5 geven een duidelijker referentiekader (nieuwe indicatoren, geluidskadaster) waardoor de geluidsbronnen beheerd kunnen worden. De definities van de “stille zones” moeten rekening houden met de bestemmingsregels voor de gronden uit de ontwikkelingsplannen. Deze definitie mag de hiërarchie van de toe te passen normen bij het afleveren van een bouw- of uitbatingsvergunning niet nog complexer maken.

De definitie van de “stille zones” mag ook de werking van de vele Brusselse bedrijven niet onmogelijk maken. Vaak bevinden die zich in bewoonde zones of dicht bij woonzones of hebben ze activiteiten binnen in een huizenblok. Deze definitie moet dus rekening houden met het gemengde karakter van het stadsweefsel.

Voorschrift 3.e voorziet in “het kadaster van industrieterreinen”. Dit moet verduidelijkt worden aangezien de activiteiten in functie van hun klasse (IB, II et III) beoordeeld worden en niet op basis van de aard van hun activiteiten.

Het verspreiden van de kaartgegevens (voorschrift 4) moet rekening houden met een vraag om confidentialiteit, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Aarhus.

Voorschrift 10 voorziet in bijzondere communicatiemaatregelen om de burgers meer te betrekken bij de globale stedenbouwkundige en infrastructuurwerken. Aangezien deze maatregelen al opgenomen zijn in de wetgeving over de stedenbouwkundige en milieuvergunningen vindt BECI dat de maatregelen onder voorschrift 10 overbodig zijn.

De organisatie van “bufferzones” in de gemengde zones (voorschrift 12) om economische activiteiten en woningen compatibel te maken, lijkt niet relevant aangezien het storende karakter van een geluidsbron niet noodzakelijk van de afstand afhangt, maar ook het resultaat van andere factoren kan zijn, zoals de richting van de bron of de positie ten opzichte van de overheersende windrichtingen. De bufferzones kunnen op deze manier de ontwikkeling van economische activiteiten afremmen zonder dat dit de stilte in de zone bevordert.

Voorschrift 16 voorziet in de opvolging van de geluidsimpact van de maatregelen van het IRIS-plan en creëert zo verwarring tussen het terugdringen van het wegverkeer en de strijd tegen de geluidsoverlast van de verschillende transporttypes.

Het Plan creëert een gelijkaardige verwarring tussen het verminderen van de snelheid in de stad en het verkeerslawaai (voorschrift 17). In veel gevallen komt het lawaai van oponthoud op de weg of obstakels die de verkeersstromen afremmen, zoals verkeersdrempels of het wegdek zelf (zoals “dallen”).

Het reglement voor versterkte muziek (voorschrift 31) kan, als het gaat over activiteiten in ontspanningszones, alleen maar nadelig zijn voor de culturele of ontspanningsactiviteiten die typisch zijn voor de feesten in Brussel. Veel buitenstaanders zijn het er trouwens over eens dat dit laatste punt verder ontwikkeld en gepromoot moet worden.

Download het document