Brudalex: Mening van BECI - 07/03/2013 

Deze mening werd opgesteld rekening houdend met de opinie van verscheidene sectoren. Omwille van de redelijk korte termijn en de complexiteit van de tekst verzoek ik u vriendelijk deze mening als preventief te beschouwen.

  1. Art. 1.1 Definities: een definitie bijvoegen voor het begrip ‘ophaling’. Er bestaat momenteel een definitie voor ‘vervoer’, maar niet voor ‘ophaling’. Het toevoegen van deze definitie zou het mogelijk maken de twee begrippen duidelijk te onderscheiden.

  2. Art. 1.1 § 1, punt 5: de voorgestelde hoeveelheden zijn geringer dan wat een huishouden gemiddeld produceert.

  3. Algemeen beschouwd, vinden wij dat dit project niet in de richting van een administratieve vereenvoudiging gaat en de bureaucratische werklast van bedrijven nog verzwaart.Wij bedoelen meer bepaald een toevoeging die een praktischer of pragmatischer beheer van afval moet toelaten:- bij art. 1.7. § 5, de toevoeging van een uitdrukkelijke bepaling, identiek aan die van het BBHR van 30/01/1997, volgens welke “het register van de producent en van de houder van het afval maar bestaan uit een verzameling van de facturen van de ophalers van het afval.”
    - de toevoeging van een uitdrukkelijke bepaling, identiek aan die van het BBHR van 21/06/2012, die de regels bepaalt voor de toepassing van de sorteer- en contractplicht voor producenten of houders van niet-huishoudelijk afval, volgens welke “de facturen van de geregistreerde ophalers kunnen dienst doen als bewijs van het ophalingscontract, net zoals een door de geregistreerde ophaler afgeleverd attest”.Deze bepaling kan worden toegevoegd aan art. 3.3 of een bijkomend artikel vormen.Artikel 23 § 4 van de afvalordonnantie bepaalt inderdaad dat de regering de vorm en de inhoud kan bepalen van het contract of van het bewijsdocument dat als attest geldt voor de ophaling.- Wat betreft de vrijstelling van administratieve-lastendocumenten (verplaatsingsdocument, afgifteattest…), vinden wij het nuttig dat deze maatregelen zouden worden uitgebreid tot franchise-bedrijven – en niet alleen tot de bedrijven die tot een zelfde groep behoren, met een zelfde BTW nummer. Franchise-bedrijven hebben namelijk een ander BTW nummer maar maken wel deel uit van een en dezelfde groep. Deze vrijstelling zou een gelijkheid van behandeling waarborgen tussen de verschillende types leden binnen een groep.

  4. Verder hebben wij in art. 1.9 § 3 vastgesteld dat de rapportering van de producenten of houders van afval op aanvraag van het BIM zou moeten gebeuren. Dit is voor de ondernemingen een extra verplichting die wij niet kunnen goedkeuren. Mocht deze verplichting worden behouden:- betekent dit dan dat een dergelijke aanvraag op om het even welk ogenblik aan het bedrijf kan worden gericht? Is de datum van 15 maart die in § 2 vermeld staat ook een streefdatum? Het zou nuttig zijn een datum vast te leggen;- rekening houdend met de samenvoeging van gelijkaardige rapporteringsverplichtingen die van verscheidene spelers voortvloeien, vragen wij ons af of het niet mogelijk zou zijn een gemeenschappelijk data-integratieplatform te voorzien zoals dat in het Vlaamse Gewest bestaat, zodat producenten of houders van afval slechts de informatie zouden moeten valideren die hen aangaat en die op voorhand door de erkende ophalers aangeleverd zou zijn. 

  5. Art. 1.10 § 1: het instituut stelt ter beschikking van het publiek een formuliermodel voor verschillende documenten. Wij gaan er dus van uit dat deze formuliermodellen niet verplicht zijn. Om misverstanden te vermijden, zouden wij het appreciëren dat dit expliciet in de tekst wordt vermeld.

  6. In art. 3.4, moet de verwijzing zijn “punt 2°5 van artikel 1.1 § 1” en niet “punt 3° 5 van artikel 1.1 § 1”.

  7. Verder dient in art. 4.13. § 1 de verplichting te worden geschrapt waardoor de producent of de houder van de afval moet controleren of de installatie die de afval gaat verzamelen, over de nodige vergunningen beschikt, conform de gewestelijke wetgeving. Alleen de gewestelijke overheid beschikt over de bevoegdheden om een dergelijke controle uit te voeren.

  8. Art. 4.19 §2 en § 3: naar welke diploma's verwijst u in het bijzonder? Voor zover wij weten, bestaat er in België geen specifieke opleiding voor het vervoer en de ophaling van afval.Wat betreft het bewijs van een gelijkwaardige beroepservaring, wat wordt met ‘gelijkwaardig’ bedoeld en wat wordt aanvaard? Het zou nuttig zijn deze begrippen duidelijker te omschrijven.

  9. Art. 4. 22 §3: hij zorgt er eveneens voor dat alle recipiënten duidelijk identificeerbaar zijn door hun kleur, hun logo of een vermelding, of op elke andere passende wijze wanneer het afval op de openbare weg wordt opgehaald à Hoe wordt dit in de praktijk toegepast? Wat gebeurt er met afval die in bulk in een container worden geplaatst? Moet de ophaler zelf de container markeren? Wat wordt bedoeld met een ‘vermelding’?

  10.  Art. 5.1.1: de bedoelde installaties zijn vrijgesteld van de verplichting van vergunning als afvalinzamelinginstallatie.

    Het probleem is dat er slechts een vrijstelling bestaat voor detailhandels om afval te kunnen terugnemen in het raam van de uitgebreide verantwoordelijkheid van de producent (namelijk de verplichting om verpakkingen terug te nemen). Een handelaar in bouwmaterialen kan niet altijd als een detailhandelaar wordt beschouwd; dat zou trouwens een probleem opleveren voor het Clean Site System. Dit systeem functioneert echter in het raam van VAL-I-PAC en wordt ondersteund door de bouwhandelaars (FEMA), de aannemers (Confederatie Bouw) en de producenten van bouwmaterialen (PMC BMP).

    In Vlaanderen bestaat deze vrijstelling in de VLAREM voor de ‘eindverkoper, tussenhandelaar, producent en invoerder’.

  11. Bepaalde ondernemingen melden de volgende punten:

    - De houders en producenten van afval hebben niet de mogelijkheid een afvalregister bij te houden. Het enige dat ze kunnen leveren zijn data over het type geproduceerde afval. Gegevens over de volumes worden door de operator geleverd (ophaler, vervoerder of andere). Bovendien is het aangewezen dat de afvalhoeveelheden eerder in gewicht dan in volume zouden worden vermeld.

    - Sommige bedrijven betreuren het feit dat het proces (compostering, recycling…) waaraan het afval wordt onderworpen, niet in het contract of het attest wordt vermeld.

    - Andere ondernemingen betreuren het feit dat geen vermelding wordt gemaakt van eventuele sancties tegen operatoren die de wetgeving niet zouden naleven (bv. milieuparken die geen attest of document afleveren als bewijs van de levering van het afval aan het milieupark, of actoren die aan hun klant geen verslag afleveren van het opgehaalde of vervoerde afval…)