Opmerkingen van BECI over het beheer van vervuilde bodems

Opmerkingen van BECI over het beheer van vervuilde bodems

VOORONTWERP VAN ORDONNANTIE BETREFFENDE HET BEHEER VAN VERVUILDE BODEMS Eerste opmerkingen van BECI, Gemeenschap van Ondernemingen in de Haven van Brussel [M1] en UOB

Voorontwerp

De 2de alinea van artikel 6 bepaalt dat de termijn waarin een correctie van de informatie geëist kan worden drie maanden bedraagt. Deze termijn is te kort als we rekening houden met de tijd die nodig is om, in toepassing van de volgende alinea, de staat van de bodem te verkennen.

De 3de alinea van artikel 6 verwijst naar de artikels 8 en volgende over de uitvoeringsmodaliteiten van het bodemverkennend onderzoek. Toch moet vermeden worden dat de rechtzetting van de inventaris de aanvrager ertoe kan verplichten om een risicoanalyse uit te voeren in toepassing van alinea 6 van artikel 13. De 3de alinea van artikel 6 moet daarom verwijzen naar de artikels 8 t/m 13 al. 5.

Punt 2° van de 4de alinea van artikel 16 moet verduidelijken dat “de betreffende site op reglementaire wijze als natuurgebied dient aangeduid worden…”. De gebruikte termen “geklasseerd” en “beschouwd als” bieden weinig juridische zekerheid.

Artikels 19 t/m 21 gaan uit van de veronderstelling dat de conclusie van de risicoanalyse aangeeft dat er geen reden is om te saneren voor er een nieuwe activiteit komt, maar geven BIM wel de macht om sommige bewarende maatregelen te nemen.

Artikel 20 laat toe, in het geval de bodem vervuild is, maatregelen op te leggen om het probleem te controleren of in te dijken of om het gebruik van de grond te beperken. Omwille van de ernstige risico’s die de vervuiling voor het leefmilieu of de volksgezondheid kan inhouden, dienen deze maatregelen ook om de bestaande vervuiling op het huidige niveau te stabiliseren of te voorkomen dat deze verergert.

Artikel 20 maakt het tegelijkertijd ook mogelijk om ondernemingen maatregelen op te leggen om de vervuiling te verminderen of geleidelijk aan te doen verdwijnen, m.a.w. saneringsmaatregelen, terwijl de gebruikte werkhypothese hier is dat de conclusie van de risicoanalyse geen aanleiding geeft tot saneringen voor er op de site activiteiten uitgeoefend worden.

Deze bepaling van artikel 20 kent het BIM in de praktijk discretionaire bevoegdheden toe die veel verder reiken dan louter bewarende maatregelen. Dit is tegengesteld aan de principes van risicobeheer die aan de basis liggen van het ontwerp van ordonnantie en die veronderstellen dat, rekening houdend met de geplande activiteiten op de site, bepaalde vervuilingsniveaus getolereerd worden als deze geen groot risico voor de gezondheid vormen. Dit is trouwens ook de hypothese van artikel 20.

Daarom moeten volgende woorden uit het artikel geschrapt worden: “om de vervuiling te verminderen of geleidelijk aan te doen verdwijnen”.

Ook de 2de alinea van artikel 20 moet geschrapt worden. Er kan geen sprake zijn van “terug in de oorspronkelijke staat te brengen” in de veronderstelling dat er, overeenkomstig de conclusies van de risicoanalyse, bewarende maatregelen getroffen worden zonder dat er een noodzaak is om te saneren.

Deze 2de alinea van artikel 20 past daarentegen wel onder artikel 22, waarin het over de “saneringsmaatregelen” gaat. Naast artikel 25 moet dit artikel ook verwijzen naar artikel 24.

In punt 2° van artikel 19 moet geschreven worden: “…voor risicovolle activiteiten is een milieuattest of –vergunning vereist” in de plaats van “zijn gepland”.

Artikel 21 bepaalt de voorwaarden waarin de evolutie van de site moet worden gecontroleerd als deze voor de aanvang van een risicoactiviteit nog niet vervuild was. Deze voorwaarden kunnen in de milieuvergunning opgenomen worden in het kader van de ordonnantie betreffende de milieuvergunning. Artikel 21 lijkt dus overbodig.

Als de risicoanalyse uitwijst dat een sanering noodzakelijk en dringend is, stelt artikel 22 dat de sanering in vier gevallen moet worden uitgevoerd, en in het bijzonder “voor een milieuvergunning aangevraagd wordt” (2de streepje). Deze eis lijkt overdreven aangezien het in sommige gevallen, voor installaties die geen verband houden met of geen invloed hebben op de vervuiling en die toch noodzakelijk zijn om de activiteit voort te zetten, mogelijk is een milieuvergunning aan te vragen voor activiteiten die reeds begonnen zijn (bijvoorbeeld het plaatsen of verplaatsen, zonder grondverzet, van een kraan op een vervuild terrein).

Indien deze verplichting zo behouden blijft, vormt ze waarschijnlijk een obstakel voor het normale verloop van de activiteiten op de volledige site. Volgens ons kan het 2de streepje weggelaten worden.

In de laatste alinea van artikel 23 is het beter om expliciet te vermelden dat “door het Instituut goedgekeurde projecten een milieuvergunning krijgen.” Deze woorden kunnen ingevoegd worden na de eerste komma, “(…) na verloop van de termijn die ze heeft om te beslissen, krijgt het saneringsproject een milieuvergunning, en de persoon in wiens naam het project uitgevoerd wordt (…)[M2] ”.

Artikel 25 stelt onterecht dat het Instituut “het kwaliteitsniveau van de bodem en het grondwater na de sanering bepaalt, rekening houdend met de methodologie die de Regering bepaald heeft”.

In de realiteit is het niet het Instituut dat het saneringsniveau bepaalt. Dat niveau hangt af van de normen die de regering (art. 24) heeft vastgelegd. Het Instituut past de door de Regering bepaalde normen toe volgens de door haar bepaalde methodologie.

De 1ste al. van art. 25 kan als volgt geschreven worden: “Voor de toepassing van artikel 24 schikt het Instituut zich naar de methodologie die de Regering heeft vastgelegd en houdt het rekening met de hierna vermelde principes (…)”.

De 4de alinea van artikel 25 slaat op de twee, sterk verschillende, hypotheses waarbij de uitbater die zijn activiteiten stopzet, de grond terug in de “oorspronkelijke staat” moet brengen: enerzijds de hypothese waarbij het onmogelijk is om te bepalen welke vervuiling door de vorige uitbater (die zijn activiteiten stopzet) veroorzaakt werd en om deze afzonderlijk te saneren, en anderzijds de hypothese waarbij de site niet vervuild was op het ogenblik dat de activiteiten opgestart werden.

De oorspronkelijke staat moet voor beide hypotheses in de ordonnantie vastgelegd worden als “de toestand waarin de bodem zich bevond voor de activiteiten van start gingen”. Deze toestand mag niet gelijkgesteld kunnen worden aan de natuurlijke staat zonder elementen om dit te staven.

De hypothese van een niet-vervuilde site zal in de praktijk vaak slaan op een site die niet opgenomen is in de inventaris van potentieel vervuilde sites en waarover de uitbater hoogstwaarschijnlijk ook geen specifieke informatie heeft. Deze bepaling van artikel 25 komt er dan indirect op neer dat elke nieuwe uitbater “verplicht” wordt om een eerste verkenning van de bodem uit te voeren, zelfs als er geen vervuiling vermoed wordt, en zoiets is economisch onverdedigbaar. Een controle van de activiteiten en het naleven van de door het Instituut bepaalde uitbatingsvoorwaarden, moeten volstaan om de afwezigheid van vervuiling door nieuwe activiteiten te garanderen.

In de laatste alinea van artikel 25 mogen de noodzakelijke maatregelen voor het beheren van ernstige risico’s voor de gezondheid niet afhangen van de financiële draagkracht van de betrokkene die de sanering uitvoert. Het risico en de noodzakelijke maatregelen om deze weg te werken moeten op dezelfde manier aangepakt worden, ongeacht de financiële draagkracht van de bedrijven die hiermee geconfronteerd worden. De rest van de zin moet blijven (de beste technieken…).

Artikel 27 moet de toepassing van de artikels 9 en 10 beperken en betreft het eerste bodemverkennend onderzoek dat moet uitgevoerd worden voor de overdracht van de rechten op de terreinen waarop vroeger risicovolle activiteiten uitgeoefend werden of nu risicovolle activiteiten gepland zijn. Of er een bodemverkennend onderzoek moet gebeuren, mag niet alleen afhangen van het feit of het terrein in de inventaris is opgenomen. Ook dienen een of meerdere geklasseerde activiteiten te worden gerapporteerd.

We moeten vermijden dat de algemene bewoordingen van artikel 27 het mogelijk maken om een bodemverkennend onderzoek op te leggen voor alle transacties, ongeacht de aard van de uitgeoefende activiteiten. Het moet gaan om risicovolle activiteiten die opgenomen zijn in een regelmatig bijgehouden register van geklasseerde installaties afhankelijk van de grondvervuilingsrisico’s die ernstige risico’s voor de gezondheid inhouden (zie memorie van toelichting, artikel 3).

In de slotbepalingen moet verduidelijkt worden dat “De voorliggende ordonnantie niet geldt voor terreinen waarop installaties staan die vallen onder het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden van benzinestations.

Memorie van toelichting

De eerste pagina van de memorie van toelichting moet op twee punten verduidelijkt worden:

- De nieuwe gebruiker heeft enkel een informatieverplichting (4de al.) onder de voorwaarden van artikel 11 van het voorontwerp, m.a.w. subsidiair en onder de verantwoordelijkheid van de vorige uitbater of de overlater van de site (of de verantwoordelijke van een ongeval).

- In verband met de principes voor het beheer is er in het voorontwerp geen sprake van een “vergunning voor het behandelen van vervuilde grond”, maar wel van een “saneringsproject” waarvan de goedkeuring (door het BIM) het mogelijk maakt om het project binnen de termijnen en voorwaarden uit te voeren (art. 23).

De bovenvermelde opmerkingen over het voorontwerp kunnen opgenomen worden in de memorie van toelichting.

20 oktober 2003

Download het document