Voorstellen van BECI

BECI heeft een aantal voorstellen om het onderwijs in Brussel te verbeteren.

Meer samenwerking en uitwisselingen tussen de netten.

1. Voor de taallessen zijn “native speakers” vereist.

Voor immersie-onderwijs in het secundair is een grotere openheid voor leerkrachten uit de andere taalgemeenschap met een ander diploma nodig. Deze leerkrachten moeten de taal van de school echter voldoende machtig zijn. De Gemeenschappen moeten de leerkrachten die in het Brussels onderwijs aan de slag willen, lessen Nederlands of Frans aanbieden.

2. De Gemeenschappen hebben een samenwerkingsakkoord afgesloten over:

i) het aanwerven van Nederlandstalige leerkrachten voor het Franstalig onderwijs in Brussel en omgekeerd;

ii) een gezamenlijke aanpak van spijbelaars;

iii) het delen van onderwijsinfrastructuur;

iv) uitwisselingsprojecten voor leerkrachten en leerlingen;

v) het uitwisselen van "best practices" tussen onderwijsadministraties en schooldirecties;

vi) het monitoren van de kwaliteit van het onderwijs van beide gemeenschappen;

vii) de aanpak van anderstaligen en de verdeling van de inspanningen ter zake.

3. De statistieken laten op dit ogenblik niet toe om de resultaten en performantie van de Brusselse netten te vergelijken. Iedereen maakt zijn eigen statistieken. In de praktijk zijn de netten in dezelfde sociaaleconomische realiteit actief en hebben ze met dezelfde uitdagingen te maken. Een Observatorium voor het onderwijs in Brussel is noodzakelijk om met valide en vergelijkbare cijfers de ontwikkelingen in het onderwijs van dichtbij te volgen. Zo kan er ingegrepen worden waar het misloopt, komen problemen sneller aan de oppervlakte en kunnen beide Gemeenschappen een wetenschappelijk gefundeerd beleid voeren.

Snel scholen bouwen

4. Er moeten snel scholen bijgebouwd worden. De bevolkingsexplosie moet door alle netten opgevangen worden en daarbij moet er voor de moeilijke wijken aan aangepast onderwijs gedacht worden want het is daar dat het aantal jongeren sterk zal stijgen. De twee netten moeten hun capaciteit verhogen en dat mag uiteraard nooit ten koste van de kwaliteit gaan. Bijkomende maatregelen zijn ook nodig om te verzekeren dat de kinderen die Nederlands spreken ook naar een Nederlandstalige school kunnengaan. Op deze manier moet ook het Nederlandstalige  karakter van de school behouden blijven. In elk geval zijn meer en betere investeringen in het onderwijs noodzakelijk. De Gemeenschappen moeten hun verantwoordelijkheid in het Brussels Gewest opnemen.

Elk net moet de middelen zo efficiënt mogelijk aanwenden

5. Structuurhervormingen. Netten die met tekorten geconfronteerd worden, moet hun structuren wijzigen. Het aantal zittenblijvers in het Franstalig onderwijs in Brussel moet dalen naar een vergelijkbaar cijfer als in de rest van België of Europa. Door dit te halveren kan er jaarlijks 150 à 200 miljoen euro bespaard worden. Elke investering moet samengaan met een verbetering van de organisatie en een meerwaarde vormen.

6. Voor de bijkomende middelen voor het wegwerken van taalachterstand bij de Franstalige en anderstalige kinderen in de Nederlandstalige scholen en voor het bijkomend omkaderend personeel in de Franstalige scholen moeten er inspannings- en resultaatsverbintenissen met de schooldirecties komen. Zo kunnen de middelen efficiënter aangewend worden. Hogere slaagcijfers op school zijn een goede zaak voor de volledige samenleving.

Discriminatie moet verdwijnen

7. Racisme en uitsluiting zijn niet toelaatbaar. Een dualisering van de samenleving ondermijnt de economische ontwikkeling en legt een hypotheek op onze welvaartstaat. Scholen mogen niet discrimineren. Tegelijk moeten ze evenwichten bewaren inzake bijvoorbeeld taalachtergrond. Er moeten hierover duidelijke regels komen. Sommige scholen zijn echte ghetto's geworden, zowel aan de bovenkant als aan de onderkant van het sociaal spectrum. Scholen moeten gestimuleerd worden om minstens 15% leerlingen te hebben uit gezinnen waar de moeder niet studeerde. Racisme is een maatschappelijke plaag die we terugvinden in scholen, bedrijven, woonmarkt, werkomgeving; niemand heeft er een monopolie op. Deze plaag moet absoluut uitgeroeid worden, want de toekomst van Brussel ligt in een multiculturele, internationale en meertalige samenleving.

Brussel alstalenlaboratorium

8. Kinderen met een taalachterstand (Frans en Nederlands) moeten naast het gewone schoolprogramma extra opleidingen volgen om deze achterstand weg te werken. De taalachterstand is trouwens een van de criteria waarvoor de school bijkomende werkingsmiddelen kan krijgen. De huidige systemen moeten plaats maken voor een gemeenschappelijkegraad die volledig toegespitst is op taalverwerving. Kinderen met een laag niveau in het Nederlands moeten meer uren Nederlandse les volgen in plaats van minder. Vooral voor het aanleren van Nederlands moeten er meer inspanningen geleverd worden om vooral de Franstaligen en anderstaligen te helpen. In het secundair onderwijs is het mogelijk om immersie-onderwijs uit te bouwen en dit geldt ook voor het Nederlandstalig onderwijs. In beide netten moeten er native speakers aangeworven worden.

9. De talen vormen het kapitaal van Brussel: de Gemeenschappen moeten in Brussel een Centrum voor Taalvaardigheid oprichten dat alle expertise samenbrengt en het statuut en het prestige van de Europese hoofdstad eer aandoet. Brussel is immers op weg om de wereldleider op het vlak van vertaal- en tolkwerk te worden. Zo’n competentiecentrum moet niet alleen professionals opleiden, maar ook nieuwe diensten voor deze professionals aanbieden en de drijvende kracht worden achter “Brussel – Talenlaboratorium”.

Een opwaardering van het technisch en beroepsonderwijs

10. Kwalificerend onderwijs moet meer kansen krijgen: dit onderwijs verdient meer waardering en prestige. Dat geldt voor de netten uit beide taalgroepen. Het inrichten van een gemeenschappelijke graad, een gemeenschappelijk lessenpakket tot 14 jaar, kan daartoe bijdragen. De lijst met knelpuntberoepen is nog altijd even lang en telt meer metsers, schrijnwerkers of verpleegkundigen dan jobs voor academici.