Standpunt van BECI

Standpunt van BECI over de stedenbouwkundige lasten

VOORONTWERP VOOR DE ORDONNANTIE TOT WIJZIGING VAN DE ORDONNANTIE VAN 13 MEI 2004 HOUDENDE DE WIJZIGING VAN HET BRUSSELS WETBOEK VAN RUIMTELIJKE ORDENING EN VOORONTWERP VAN HET BESLUIT VAN DE BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE REGERING BETREFFENDE DE STEDENBOUWKUNDIGE LASTEN

Samenvatting van het standpunt van BECI

1. Ter inleiding

BECI neemt akte van de noodprocedure die de Regering heeft gevolgd, waardoor de ESRBHG slechts vijf dagen had om een advies uit te brengen over het voorontwerp en het besluit dat het juridische kader van de stedenbouwkundige lasten wijzigt. Dit na de annulering door de Raad van State op 15 juni 2009 van de twee uitvoeringsbesluiten van de ordonnantie voor de organisatie van de planning en stedenbouw van 18 juli 2002.

BECI betreurt dat deze consultatiewijze geen diepgravend onderzoek van de nieuwe bepalingen mogelijk maakt. De spoedprocedure ontneemt de Raad de mogelijkheid om een debat ten gronde te voeren over de optimale modaliteiten voor het innen van lasten die rekening houden met het evenredigheidsbeginsel en conform zijn aan de doelstelling van de stedenbouwkundige lasten. Zoals het ESRBHG in een advies van 29 augustus 1991 over de wijziging van het OPS schreef, hebben ze als doel het gemengde stadsweefsel te behouden of een antwoord te bieden op de gevolgen voor de onmiddellijke omgeving van een project.

De opmerkingen, geformuleerd binnen het kader van de vermelde spoedprocedure, doen geen afbreuk aan een diepgaand overleg over de nieuwe modaliteiten van het systeem voor het innen van de stedenbouwkundige lasten.

2. Over de gebruikte procedure

BECI stelt vast dat de Regering, door een beroep te doen op een ordonnantie om de bepalingen die de Raad van State annuleerde toch te valideren, liever het voorgaand systeem behoudt dan de Considerans van de Raad van State te analyseren.

BECI betwijfelt of dit volstaat om voor juridische zekerheid te zorgen, wegens het beslist uitzonderlijk karakter van het aannemen van retroactieve wettelijke bepalingen. Vooral omdat het gaat om het afdekken van de illegale reglementaire bepalingen waarvan de Raad van State de gebreken binnen het kader van de parlementaire procedure had benadrukt.

3. Over de principes

BECI stelt na een eerste onderzoek van het goedgekeurde project vast dat het proportionaliteitsprincipe voor de evaluatie van de lasten en de termen van de vergunning niet beter dan voorheen nageleefd wordt.

Meer bepaald laten de tarieven onder artikel 8 van het goedgekeurde project niet toe om de hoogte van de stedenbouwkundige lasten aan te passen aan andere criteria dan de oppervlakte van het vergunde gebouw of de ligging in bepaalde zones van het GBP, terwijl er ook met andere factoren van het project rekening zou kunnen gehouden worden.

Dit proportionaliteitsprincipe dringt zich sterk op omdat de Raad van State de stedenbouwkundige lasten als “heffingen” beschouwt, waardoor een rechtstreeks verband gelegd wordt tussen de last en het project waarvoor de vergunning afgeleverd wordt.

Ten slotte is er ook het mogelijk samengaan van verplichte lasten en “facultatieve” gemeentelijke lasten, waardoor de investeerder helemaal niet kan voorzien hoe hoog de uiteindelijke lasten voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning zullen bedragen.

4. Conclusie

BECI dringt erop aan dat de Regering en de sociale partners ernstig overleg plegen over het systeem van de stedenbouwkundige lasten.

7/10/2009