Vakbondsvertegenwoordiging in KMO’s

De wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven voorziet in de oprichting van ondernemingsraden in alle ondernemingen die 100 werknemers tewerkstellen en in de vervanging in alle ondernemingen die 50 werknemers tewerkstellen.

Onder onderneming worden zowel de bedrijven uit de privésector met industrieel en commercieel oogmerk bedoeld als de verenigingen zonder winstoogmerk als sociale diensten en de gezondheidssector (ziekenhuizen, klinieken) en de onderwijsinstellingen.

De cao nr. 5 van 24 mei 1971 gesloten in de Nationale Raad voor Werk regelt het statuut van de vakbondsafvaardiging van het personeel van bedrijven.

In België wordt gesproken van een kmo tot en met 49 werknemers. De naoorlogse wet van 1948 voorziet in de installatie van ondernemingsraden vanaf ondernemingen met 50 werknemers. Er zijn echter altijd afwijkingen mogelijk gemaakt, waardoor sinds 1978 de limiet voor een ondernemingsraad in België op 100 werknemers ligt. Vanaf 50 werknemers moeten er comités voor preventie en bescherming worden opgericht.

 

Probleemstelling

Verscheidene sectoren passen echter lagere syndicale drempels toe (sector cao’s). Volgens de vakbonden is de tijd rijp om dit principe te veralgemenen naar de grote groep van kleine en middelgrote ondernemingen, goed voor bijna een derde van de werkgelegenheid in ons land.

Het argument van de vakbonden dat “Heel wat kmo-personeel verstoken blijft van enige vorm van sociaal overleg op de werkvloer'', klinkt in de oren van menig werkgever in een kmo-structuur als onzin.

De kleinschaligheid, het familiale en/of lokale karakter van de KMO-ondernemingen zorgen voor een directere relatie tussen werkgever en –nemer. Opgelegde en gestructureerde ondernemingsraden met speciale statuten voor vakbondsvertegenwoordigers zouden in kmo’s alleen maar tot stroevere relaties leiden. Bovendien zou dit een zware tijd- en geldbelasting voor de kleine ondernemingen betekenen.

 

Algemeen patronaal standpunt

N.a.v. de omzetting Europese richtlijn over werknemersinformatie en het overleg over vakbondsvertegenwoordigingen binnen kmo’s hebben de patronale organisaties een gemeenschappelijk standpunt geformuleerd (2007):

“Werknemers in KMO's hebben geen stem”: VERKEERD

Waarheid: Eerst en vooral dit: KMO-werkgevers beseffen zeer goed dat een vlotte dialoog met hun werknemers een belangrijke troef is voor hun bedrijf. Bij een goede interne communicatie wint immers iedereen.

Ten tweede, de sociale dialoog in KMO's is direct en werkt goed. Dat zeggen KMO-werkgevers én -werknemers. Werknemers in KMO's hebben dus wel degelijk een stem: die van de directe dialoog. Waarom dan deze vakbondseis? Meer macht voor de vakbond en meer leden. Of de betrokken werknemers hier wel om vragen, is blijkbaar van geen tel.

“In KMO's gebeuren de meeste zware arbeidsongevallen”: VERKEERD

Waarheid: Op het eerste gezicht lijkt dit zo. Maar eigenlijk ligt de verklaring bij de bedrijfsactiviteit. Er zijn veel meer kleine bedrijven actief in pakweg de bouw en industriële sectoren, waar het risico op een ongeval wegens de aard van de activiteit onvermijdelijk groter is, dan in bijvoorbeeld de bank- en verzekeringssector.

Bovendien neemt het aantal arbeidsongevallen in ondernemingen tussen 20 en 50 werknemers af. De vakbond slaat de bal mis.

De EU-richtlijn is omgezet en verplicht bedrijven om extra informatie van financieel-economische aard te communiceren. Dat kan perfect via de bestaande overlegorganen: preventiecomité of syndicale delegatie. Al de rest is een zaak van het overleg tussen werkgevers en vakbonden.

Voor ondernemingen met minder dan 50 werknemers is de piste van de sectorale overlegplatforms het meest geschikt. Daar kunnen eventuele klachten van KMO-werknemers ter sprake komen.

Elke andere syndicale houding zadelt kleine bedrijven enkel op met extra administratieve verplichtingen zonder enige efficiëntiewinst wat betreft het overleg, remt de groei van KMO's af en beperkt hun potentieel om jobs te creëren.

 

Enkele aandachtspunten (of punten ter discussie)

  • Vakbondsafgevaardigden en vakbondskandidaten genieten een bijzondere bescherming tegen ontslag (uniek in de wereld) ;
  • De vakbonden hebben geen overlegmonopolie ;
  • Vakbondsparticipatie naar Duits model: niet in een historisch discours gevoed door een ideologie van klassenstrijd, maar veeleer vanuit een “bemiddelende” rol tussen werk en kapitaal.

 

Een KMO is geen “mini-groot bedrijf’

BECI is van mening dat de vakbondsafvaardiging niet onmisbaar is in een kmo, voor zover de sociale dialoog rechtstreeks kan verlopen.

Bedrijven waar voor het ogenblik geen enkele vakbondsafvaardiging actief is, moeten zich aanpassen aan een akkoord tussen bedrijfsleiders en de sectorvakbonden waaronder ze vallen, een akkoord dat de informatie moet bepalen die aan de medewerkers overgebracht dient te worden, alsook de manier waarop dat dient te gebeuren. [...]

Niemand hoeft dus gezichtsverlies te lijden. De bedrijfsleiders van de kmo’s die zich geen vakbondsafvaardiging tegen hun wil opgedrongen zien noch de vakbonden die informatie afdwingen voor werknemers in kleine ondernemingen.