De paradox van Jevons: green IT misschien toch niet zo groen

5 juni 2018 om 09:06 | 518 weergaven

©Thinkstock. De "wet van Jevons" stelt dat hoe efficiënter een hulpbron wordt geproduceerd en gebruikt, hoe meer het verbruik ervan stijgt eerder dan afneemt.

Heel wat leveranciers hebben de mond vol van groene IT en de lagere impact op het milieu dankzij de nieuwe technologieën. De werkelijkheid op het terrein geeft hen helaas geen gelijk. Dit is te wijten aan het zogenaamde ‘terugslageffect’ (rebound), die deze ecologische voordelen gedeeltelijk of volledig ongedaan maakt. We trachten dit even toe te lichten.

 

Een geheugenopfrisser: in de 19e eeuw al was er sprake van een economisch beginsel dat soms de ‘Paradox van Jevons’ wordt genoemd, naar de Britse Economist William Stanley Jevons.

Volgens Wikipedia is het terugslageffect “de toename van het verbruik door een vermindering van de beperkingen op het gebruik van een technologie; deze beperkingen kunnen van monetaire, tijdelijke, sociale of fysische aard zijn of in verband staan met de inspanning, het gevaar, de organisatie, enz.” Gevolg: de aanvankelijk door het rationelere gebruik verwachte energie- of hulpbronnenbesparing kan geheel of gedeeltelijk verloren gaan door de aanpassing van het gedrag aan deze nieuwe situatie. Met andere woorden, de vooruitgang die de technologie teweegbrengt, wordt vaak tenietgedaan door de gedragsverandering die zij veroorzaakt. Een praktisch voorbeeld: toen steenkool de basis vormde van de industriële revolutie, vreesden ingenieurs dat deze hulpbron te snel op zou raken en zochten ze naar een optimale exploitatie ervan. Hierdoor daalde de prijs van steenkool, wat het verbruik deed toenemen …

In feite bestaan er drie soorten terugslag-effecten. Ten eerste het directe rebound-effect, wanneer een daling van de kost van een hulpbron aanleiding geeft tot lagere prijzen en vervolgens een grotere vraag. Ten tweede het indirecte rebound-effect: wanneer een hulpbron efficiënter wordt geproduceerd, dalen de prijzen ervan en besparen de consumenten geld dat zij aan andere vervuilende stoffen kunnen uitgeven. En ten derde het structurele rebound-effect, dat de ganse economie beïnvloedt: lagere brandstofprijzen bijvoorbeeld maken verplaatsingen goedkoper waardoor de mensen meer gaan rijden en dus ook meer vervuilen.

 

Nieuwe technologieën

Hoewel sectoren als de automobielindustrie en de bouw het rebound-effect op grote schaal hebben bestudeerd, besteedden de nieuwe digitale technologieën er nog maar weinig onderzoek aan. Het ligt echter voor de hand dat bijvoorbeeld videoconferenties het aantal verplaatsingen van werknemers, en dus de CO2-uitstoot, beperken. Of dat e-learning de verplaatsing van medewerkers naar een opleidingscentrum overbodig maakt. Evenzo zou telewerken het aantal auto’s op onze wegen moeten verminderen, terwijl het wijdverbreide gebruik van e-mail het papierverbruik zal terugschroeven.

Maar dan houden we geen rekening met het beruchte rebound-effect. Uit studies in Denemarken blijkt bijvoorbeeld dat het aantal zakelijke verplaatsingen door telewerken inderdaad is verminderd, maar dat burgers hun auto meer privé zijn gaan gebruiken, wat de positieve effecten gedeeltelijk tenietdoet. Bovendien vereist telewerken dat elke werknemer zijn eigen huis verwarmt en verlicht, in plaats van samen met de collega’s in een groot kantoor te werken. Ook dit zorgt voor extra energiekosten.

E-mail wordt eveneens beïnvloed door het rebound-effect. Internet vertegenwoordigt maar liefst 7% van het wereldwijde elektriciteitsverbruik. Als internet een land was, zou het de op twee na grootste verbruiker van elektriciteit ter wereld zijn, na China en de Verenigde Staten (temeer daar het internetverkeer tegen 2020 wellicht zal verdrievoudigen). Algemeen wordt aangenomen dat e-mail de hoeveelheid bedrukt papier heeft verminderd. Goed zo, maar e-mailuitwisselingen vereisen een steeds grotere rekenkracht en uiterst efficiënte netwerken (hoeveel e-mails ontvangt u per dag?). Vandaar de gigantische serverruimtes, zoals de datacenters van Microsoft en Google, die zoveel energie verslinden dat de internetreuzen ze installeren in landen met een kouder klimaat. IJsland bijvoorbeeld. En toch wordt er op dit gebied aanzienlijke vooruitgang geboekt, met inbegrip van het gebruik van alternatieve energiebronnen. Een broodnodige vooruitgang, trouwens omdat het internetverkeer steeds toeneemt, zeker door het wijdverbreide gebruik van streaming.

Een andere als “groen” bestempelde technologie is servervirtualisatie. Hierdoor vermindert het aantal fysieke machines, terwijl de verwerkings- en opslagcapaciteit wordt behouden. Het aantal verkochte servers daalde inderdaad. En omdat de kost per opgeslagen byte dezelfde trend volgde, steeg de vraag exponentieel.

Evenzo werd verwacht dat het gebruik van zuinigere vlakke LCD-beeldschermen ter vervanging van CRT-schermen tot energiebesparingen zou leiden. Maar de diagonaal van de schermen is ondertussen toegenomen (van gemiddeld 15” tot 22”) en hun helderheid is verbeterd, wat resulteert in een gelijk verbruik. Erger nog, de productie van een LCD-scherm stoot twee keer zoveel broeikasgassen uit, terwijl recycling praktisch onmogelijk is.

Tot slot behoort de cloud waarschijnlijk tot de technologieën waar het rebound-effect op de meest verraderlijke manier optreedt. Deze technologie bevrijdt namelijk pc’s van software en opslag en deporteert deze gegevens naar datacenters, vaak zonder dat de consument zich daar echt rekenschap van geeft. Wie weet waar zijn foto’s, muziek e.a. zich bevinden op Amazon-, Google- en andere Facebook-platforms? En omdat deze oplossingen als gratis worden gepercipieerd, heeft het grote publiek de neiging om hier onbegrensd gebruik en misbruik van te maken.

 

 

Meten om te weten

Tot op heden ondergaan de rebound-effecten van nieuwe technologieën nauwelijks metingen, vaak bij gebrek aan meetinstrumenten en vergelijkingsmethoden. Een eerste stap is in elk geval de bewustmaking van de besluitvormers.

 

 

Bitcoin tussen steenkoolmijnen en money mining

Cryptogeld – en dan vooral de Bitcoin – laat heel wat speculanten fantaseren en geeft het grote publiek de indruk van een gedematerialiseerde munt. De ecologische voetafdruk is echter minder rooskleurig.

Cryptogeld werkt met de blockchain, een keten van blokken: een soort peer-to-peer operatie waarbij de mensen die transacties uitvoeren zowel klant als server zijn. Om een bitcoin te genereren, moet u software downloaden die een knooppunt wordt in een groot netwerk. Elke transactie moet door alle knooppunten worden gecontroleerd en gevalideerd alvorens beschikbaar te zijn in een openbare ruimte (blok) die toegankelijk is voor gebruikers. Al deze blokken vormen een keten die dient als gedateerd en fraudebestendig register. Mining is de operatie die een nieuwe blok creëert, dus een nieuwe bitcoin. Elke nieuwe blok/bitcoin die een “miner” creëert, wordt dus vergoed.

Nu de keten steeds aan complexiteit wint, vereist mining steeds meer computer resources. Deskundigen schatten dat het jaarlijkse verbruik van de Bitcoin overeenkomt met dat van een land als Bulgarije, aangezien de kracht van de computers die de Bitcoin beheren 100.000 keer zo groot zou zijn als dat van de 500 zwaarste computers ter wereld. Helaas gebeurt bitcoin mining voornamelijk in China, waar 60% van de energie uit steenkool wordt geproduceerd, met aanzienlijke broeikasgasuitstoot als gevolg (122 kg CO2 per transactie en 11 miljoen ton steenkool per jaar). Ook goed om weten: een transactie in Bitcoin zou bijna 4.000 keer meer energie verbruiken dan dezelfde transactie met een conventionele bankkaart.

Terwijl de wereld China hiervoor aan de schandpaal nagelt, opperen sommige Bitcoin voorvechters dat hydro-elektriciteit steeds vaker als energiebron wordt ingezet en dat de eventuele overproductie van elektriciteit (die niet kan worden opgeslagen), mining vergemakkelijkt door deze kW om te zetten in digitale tokens, en zo deze rijkdom te herverdelen.

©Thinkstock

 

 

 

 

Delen