Verkiezingen: achter de schermen van de werkgeverslobby

2 augustus 2018 om 12:08 | 875 weergaven

© GettyImages

Binnen enkele weken, op 14 oktober 2018 om precies te zijn, trekken burgers naar de stembus voor de gemeenteraadsverkiezingen (en de provinciale verkiezingen), waarvan de resultaten voornamelijk een lokale reikwijdte zullen hebben. Die verkiezingen zullen echter dienen als een opwarmer en grootschalige test voor de regionale, federale en Europese verkiezingen van 26 mei 2019, waarvan de inzet heel anders zal zijn. De verkiezingscampagne belooft lang te worden en iedereen, inclusief de lobby’s, maakt zich klaar om zijn prioriteiten naar voren te schuiven.

 

Met het oog hierop heeft het bureau Whyte Corporate Affairs een bevraging gehouden bij de leidinggevenden van 25 Belgische werkgevers- en brancheorganisaties (nationaal of meer regionaal, waaronder Beci). In de bevragingen, die tussen februari en mei 2018 zijn gehouden, is aandacht besteed aan hun lobbywerk voor de komende verkiezingen en hun verwachtingen, maar ook aan hun beoordeling van het huidige bestuur.

De resultaten zijn deze zomer gepresenteerd, op een globale en anonieme manier, om vertrouwelijkheidsredenen en in overeenstemming met de politieke gevoeligheid van bepaalde onderwerpen.

 

Lobbyen: de nota blijft koning

 

Volgens Whyte Corporate Affairs “zijn de meeste organisaties begin dit jaar begonnen met hun lobbyvoorbereidingen en willen ze hun ‘position papers’ en nota’s vóór het einde van de zomer afronden”, met andere woorden kort voor de gemeenteraadsverkiezingen, die dus een invloed hebben op dit vroege tijdschema. Daarbij mag niet vergeten worden dat “de politieke partijen het proces van sommige verenigingen hebben versneld doordat ze op zoek waren naar informatie.”

Acht maanden voor de federale, gewestelijke en Europese verkiezingen moeten de werkgevers- en brancheorganisaties dus de kerninhoud van hun communicatie hebben bepaald en zijn begonnen met de verspreiding ervan onder de partijen – tot aan de verkiezingen en zelfs tijdens de onderhandelingen over de vorming van coalities. “Voor ons is het regeerakkoord de absolute referentie. Als u uw standpunten er niet in kunt verwerken, is het verloren moeite voor de rest van de zittingsperiode”, vat een hoge leidinggevende van een organisatie samen.

Het lobbyen evolueert: de standpunten en informatie die in deze nota’s worden gecommuniceerd zijn steeds meer versplinterd: “infografieën, folders, thematische fiches: dat zijn de trends”, legt men bij Whyte uit. Ze stellen ook een steeds terugkerende PR-strategie vast: “Deze nota’s worden opgebouwd rond de thema’s en debatten van het moment om relevante standpunten te geven.” 

Anderzijds lijken sociale media, hoewel ze vaak genoemd worden, in dit stadium van de verkiezingscampagne nog weinig of niet benut te worden. Een andere trend: initiatieven van individuele leden om het lobbyen van deze organisaties te versterken, meestal echter zonder de formele zegen van deze laatste, die argwaan kunnen wekken bij politieke besluitvormers.

 

 

Beoordeling: onderscheiding voor de “Zweedse coalitie”

 

Laten we het nu hebben over de positie van werkgeversorganisaties ten opzichte van politieke organisaties. Het belangrijkste beïnvloedingswerk wordt gedaan bij de partijen die vertegenwoordigd zijn in de federale overheid: N-VA, net voor CD&V, dan Open VLD en tenslotte MR. Ver vóór alle andere. Ook al bepalen aan Vlaamse kant “N-VA en Groen het verloop van de debatten”, meldde een leidinggevende van een van de bevraagde organisaties.

 

Wat het contact- en toegankelijkheidsgemak betreft, loopt N-VA aan Vlaamse kant met een goede marge voor op CD&V en Open VLD. Aan Franstalige kant is het MR die de leiding neemt in de populariteitsrangschikking, ver voor CDH en PS. Ecolo en Groen dichten de kloof aan weerszijden van de taalgrens. Een andere leidinggevende was het volgende van mening: “Goed contact hangt vooral af van het behandelde thema. Sommige partijen zijn fundamenteel meer geïnteresseerd in een specifieke kwestie dan andere.”

 

Brusselse uitvoerende macht minder gewaardeerd

 

En als er punten moeten worden gegeven aan de verschillende regeringen, dan krijgt de federale regering van Charles Michel een onderscheiding (7/10), de Vlaamse regering van Geert Bourgeois (6,7/10) en de Waalse regering van Willy Borsus (6,5/10) allebei een voldoening en … de Brusselse uitvoerende macht van Rudi Vervoort, die “echt een schoktherapie nodig heeft”, een ondermaats cijfer (4,9/10).

Deze beoordeling wordt bevestigd als we deze organisaties vragen of ze een eventuele verlenging van de huidige coalities na mei 2019 wensen: 21 van de 25 zeggen “ja” voor de Zweedse coalitie op federaal niveau, 19 voor Geert Bourgeois, 17 voor Willy Borsus en … slechts 1 voor Rudi Vervoort.

Wanneer de “25” worden ondervraagd over de belangrijkste beslissingen die zij het meest op prijs stellen, verwijzen ze zoals verwacht naar de fiscale maatregelen, maar ook, in veel mindere mate, naar de nieuwe versie van de overeenkomst over “consumentenbescherming in de geliberaliseerde elektriciteits- en gasmarkt”, flexibiliteit op het werk en de indexsprong.

Anderzijds zijn de minst gewaardeerde maatregelen en beleidsvoeringen de wet-Peeters over arbeidsflexibiliteit, het energiebeleid, de administratieve inefficiëntie, de mobiliteit, de bezuinigingen en het milieu.

 

Mei 2019: “ja” voor fiscale maatregelen en loonmaatregelen, “nee” voor het communautaire

 

Wanneer werkgevers- en brancheorganisaties naar hun verwachtingen worden gevraagd, geven zij zoals verwacht aan dat ze willen dat de prioriteiten liggen bij de loonkosten en de fiscaliteit, en vervolgens bij het algemene economische beleid, maar ook bij de arbeidsmarkt, het klimaat en energie, mobiliteit en administratieve vereenvoudiging.

Wat de asymmetrie tussen coalities op federaal en gewestelijk niveau betreft, zijn de werkgeversorganisaties verdeeld: negen zijn het ermee eens, maar evenveel vinden de situatie problematisch. De rest heeft geen mening. “Asymmetrie is niet ideaal, maar ook niet onoverkomelijk. Symmetrische coalities kunnen politieke spelletjes trouwens ook niet voorkomen”, vat de baas van een organisatie samen.

Veertien van hen vinden daarentegen dat de coalitiewisseling van vorig jaar in Wallonië (de nieuwe meerderheid MR-CDH) “een goede zaak is”, maar ze erkennen ook dat de betrekkingen met de voormalige PS-CDH-coalitie niet noodzakelijk minder goed waren.

Niet minder belangrijk: een grote meerderheid van deze economische besluitvormers (18 van de 25) vindt het belangrijk om de huidige status quo in de gemeenschappen te behouden, met slechts één tegenstander. Het belangrijkste argument is dat “de laatste staatshervorming nog niet eens is doorgevoerd”, maar ook dat “niemand voordeel haalt uit een bittere politieke strijd”.

Wanneer we de leidinggevenden van de brancheorganisaties vragen om een partij te kiezen die ze actief willen zien in de volgende regeringen, stemmen ze (volgens hun nationale of regionale invloed) aan Vlaamse zijde voor N-VA (7 stemmen), vóór CD&V (5) en Open VLD (5). Aan de Franstalige kant krijgt de MR alle 13 stemmen krijgt!

 

 


Gelobby dat goed wordt ontvangen door de politieke leiders

Wat vinden beleidsmakers van deze lobbyactiviteiten? Zesenzeventig van hen (parlementsleden, kabinetsleden, medewerkers en adviseurs van de verschillende parlementen) zijn in de eerste helft van 2017 anoniem geïnterviewd door Whyte Corporate Affairs. Zij staan positief tegenover het werk dat is verricht door de brancheverenigingen (82 %) en werkgeversorganisaties (78 %), ver boven de andere lobbyisten (externe adviseurs, academici en denktanks, middenklasseorganisaties, ngo’s of individuele initiatieven, die tussen 54 en 64 % opleveren).

Beleidsmakers geloven ook dat lobbyen professioneler (81 %) en noodzakelijker (68 %) wordt “voor politiek werk, door de toenemende complexiteit en snelle veranderingen”, volgens het bureau Whyte. Tot slot is 51 % van de respondenten van mening dat het lobbywerk transparanter is dan in het verleden.

 

Waar politici en werkgevers- en brancheorganisaties echter van mening verschillen, is over de ontvangers van dit lobbywerk. 17 van de 25 organisaties die door Whyte bevraagd zijn, wenden zich namelijk liever rechtstreeks tot de partijvoorzitters en 16 tot studiecentra. Minder dan de helft is gericht op kabinetten, een derde wendt zich tot parlementsleden en slechts 2 tot bevoegde ministers. Terwijl voor 82 % van hen de politieke beleidsmakers bevestigen dat het beste verspreidingskanaal voor lobbyprofessionals de kabinetten zijn, vermelden de anderen de parlementsleden.

Delen