Europese subsidies zijn ‘hard to get’

Door  - 26 oktober 2018 om 16:10 | 379 weergaven

©Getty

Te weinig Brusselse KMO’s en groeibedrijven doen een poging om via het KMO-instrument Europese subsidies voor innovatie binnen te halen. Hoe complex dat ook is, het loont nochtans de moeite. “Je verbetert je business sowieso.”

 

Belgische KMO’s maken (te) weinig gebruik van de Europese steun die hun internationale groei een duwtje in de rug kan geven – op de lijst van 33 lidstaten bezet ons land pas de 19de plaats. Tot die vaststelling kwam een tijdje geleden de zakenkrant L’Écho, op basis van een rapport van de Europese Commissie. Niet België, dat nochtans bekend staat als kweekvijver voor KMO’s, maar Italië en Spanje blijken de kampioenen in het verkrijgen van Europese steun. L’Écho meldt verder dat Vlaanderen 88% van de aan ons land toegewezen fondsen binnenhaalt. Conclusie: Waalse en Brusselse kleine bedrijven doen het niet zo goed.

Waarover gaat het nu precies? In het kader van het Europese subsidieprogramma Horizon 2020, dat zich toespitst op Research & Development en innovatie in het bijzonder, riep men in 2014 het KMO-instrument in het leven om de internationale groei van kleine Europese bedrijven hoger te doen schakelen. Tussen de start van een bedrijf en de verdere groei is er vaak een gebrek aan directe financiering. Daarom verdeelt Europa 3 miljard euro over 7500 projecten voor de periode 2014-2020. Steun via het instrument gebeurt in twee fases. In fase 1 krijgt een bedrijf 50.000 euro om een haalbaarheidsstudie voor hun project uit te voeren. Blijkt het project realiseerbaar, dan volgt fase 2, waarbij nog eens 1 à 2 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld om een product te ontwikkelen dat klaar is voor introductie op de internationale markt.

 

Seal of Excellence

Barbara Andreani, coördinator van Enterprise Europe Brussels bij hub.brussels, nuanceert de berichtgeving van L’Écho. “Men mag de cijfers van het R&D-programma Horizon 2020 niet gelijkstellen met die van de algemene Europese subsidies. Bovendien mag men de cijfers van het KMO-instrument, goed voor 2,73 miljard euro, niet verwarren met deze van het H2020 programma in zijn geheel, waarvan het totale budget 80 miljard bedraagt. De in het artikel geciteerde cijfers zijn incompleet en bijgevolg geen juiste weerspiegeling van de realiteit.”

Als we de jaarlijkse statistieken bekijken, de officiële cijfers van de Europese Commissie, dan is de interesse én het succes van Brusselse actoren in het R&D-programma H2020 overduidelijk. De graad van succes van de Brusselse regio bedraagt 19,4% en is hoger dan het gemiddelde van België en Europa, respectievelijk 16% en 11,7%. Brussel ontvangt 36% van de financiering die aan België is toegewezen, terwijl het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 13% vertegenwoordigt van de nationale bruto-uitgaven in R&D.” Mevrouw Andreani stipt ook aan dat, alleen al in 2017, vijf Brusselse ondernemingen een Seal of Excellence verkregen, op basis van de kwaliteit van hun innovaties. Helaas kon de EC hen wel niet het vereiste budget toewijzen. In 2018 hebben twee Brusselse bedrijven een goedkeuring voor het KMO-instrument gekregen: één voor fase 1 en één voor fase 2.

 

Disruptief

Het KMO-instrument is vrij onbekend en wellicht daardoor onbemind. Bijkomend probleem is dat een subsidie aanvragen veel papierwerk met zich meebrengt en dat schrikt KMO’s af: daar hebben zij de mensen noch de tijd voor. Tel daar nog de complexiteit van het instrument bij en je beseft dat starters en KMO’s zich best laten bijstaan door professionals als ze een aanvraag willen indienen. De case van Workero illustreert dit. Ondernemer Dirk Paelinck startte een jaar geleden Workero op, een digitaal platform dat co-creatie wil bevorderen door aan bedrijven uit uiteenlopende sectoren creatieve werkplekken aan te bieden. Vóór hij, via Beci, professor Juan Manuel Revuelta Pérez ontmoette, was nooit het idee in hem opgekomen om Europese subsidies aan te vragen. Toen hij aan de professor had uitgelegd waar hij mee bezig was, luidde de reactie van deze: “Dit is geknipt voor het KMO-instrument van H2020.”

Juan Manuel Revuelta Pérez is director general van Finnova, een non-profit organisatie die internationale samenwerking binnen de Europese Unie stimuleert en starters en KMO’s helpt om financiering te vinden. “Ik zag meteen dat Workero een disruptief en scalable concept is; het heeft een globaal potentieel”, legt hij uit. “Dat is precies waar H2020 naar op zoek is. Het wil toekomstige grote spelers op het spoor komen die jobs zullen creëren.”

 

Even halt houden

Dirk Paelinck geeft toe dat de procedure van de kandidaatstelling voor het KMO-instrument zeer moeilijk is. “Van alle aanvragen die de EC dit jaar ontving, is slechts 3 procent goedgekeurd. Zonder de hulp van Finnova zou het ons ook niet gelukt zijn om al bij de eerste poging groen licht te krijgen voor fase 1. We zijn nu aan het tweede traject bezig: straks moeten we ons voorstel voor fase 2 binnenbrengen. We moeten met een goed plan komen dat het potentieel van Workero voor heel Europa aantoont.”

Niet alleen het geld is belangrijk. Paelinck: “Je profiteert ook van het enorme netwerk van de EC. Er gaan deuren voor je open. Je wordt uitgenodigd voor workshops die je kunnen helpen én je krijgt ook coaching. Want een goed product is één ding, maar je moet ook weten hoe je het op de internationale markten zal zetten. Heb je partners nodig? Moet je joint ventures aangaan?”

Professor Revuelta knikt. “De subsidie is slechts een deeltje van de duw die je in de rug krijgt. Wij hebben samen met Workero het concept herdacht. Een starter wil in zijn overlevingsdrang het gaspedaal induwen, maar soms moet je even halt houden om stil te staan bij je business model. We hebben samen aan het voorstel geschreven. Op tien pagina’s moet je in het Engels helder uitleggen wat je wil realiseren: niet evident. Vergeet ook niet: jonge bedrijven hebben het in Europa véél moeilijker dan in de VS, waar je een vlot functionerend ecosysteem en slechts één voertaal hebt.”

 

Snelle introductie

Waarom participeren Belgische bedrijven zo weinig aan de Europese programma’s? Dirk Paelinck werpt op dat het misschien in onze volksaard zit om het eerst helemaal alleen te proberen. “Als dat zo is, dan verliezen jullie vele opportuniteiten”, werpt Revuelta tegen. “Wie weet broedt iemand in Tokyo momenteel op hetzelfde idee als Dirk. Als je het eerst lokaal probeert, ga je te laat komen. Bij globalisering is het zaak snel de markt op te gaan. Vandaag heeft men de mond vol over FinTech, morgen zal het over PropTech gaan: de technologie die bij onroerend goed komt kijken. Denk aan de digitale technologie die ingezet wordt voor de veiligheid, de energie-efficiëntie… Véél vastgoed is nu nog niet smart, maar dat zal snel veranderen.”

Paelinck: “Waar komen vandaag de unicorns – de startende bedrijven die meteen meer dan één miljard dollar waard is zijn – vandaan? Tot hiertoe Amerika – denk aan Google of Facebook – of Azië. Daar wil de Europese Commissie verandering in brengen. Om die reden hebben Workero en Finnova samen beslist om volgend jaar de EU PropTech Awards te organiseren. We gaan op zoek naar de grootste talenten in real estate en halen die naar Brussel, waar het Europese kapitaal zit.”

 

Leerrijke evaluaties

Ja, de standaarden van de EC zijn hoog. Enkel de beste van de besten kan op subsidie rekenen. “En toch is het de moeite om je kans te wagen”, vindt Paelinck. “Je verbetert sowieso je business. Door aan ons voorstel te schrijven, ben ik 100 keer opnieuw beginnen nadenken over ons project. Ik heb talloze discussies gevoerd met mijn team, we hebben ons vragen gesteld die nooit eerder in ons waren opgekomen. Terugblikkend stel ik vast dat we al heel wat bijgestuurd hebben. Van elke evaluatie die je van de EC ontvangt leer je.”

Maar, en dat is belangrijk: je kan het niet alleen. “Je hebt begeleiding nodig. Voor je je kandidatuur stelt, moet je 200 bladzijden bureaucratische taal doorworstelen. Begin er maar aan. Als je ziet wat er allemaal op je afkomt, denk je als starter: daar heb ik de tijd niet voor. Maar de Spanjaarden en Italianen doen het wél massaal. Voor hen is de workload nochtans even groot.”

Als Belg heb je, in tegenstelling tot Italianen of Spanjaarden, dan nog de troef dat je vele talen kent”, zegt professor Revuelta. Hij wijst ook op de initiatieven die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft genomen om meer aanspraak te maken op Europese subsidies. Enterprise Europe Brussels organiseert, in samenwerking met NCP Brussels, informatiesessies en thematische seminars. Wie een dossier wil indienen voor het KMO-instrument kan er ook aankloppen voor analyse. “Dit past in een proactieve politiek om het innoverend ondernemen te ondersteunen en bij te dragen aan een grotere bekendheid en betere performantie in het Europese R&D-programma”, besluit Barbara Andreani.

 

Juan Manuel Revuelta Pérez (Finnova, links op de foto) en Dirk Paelinck (Workero, 3de van links) met hun medewerkers. Samen hebben zij Workero gekwalificeerd voor fase 1 van de Europese H2020-subsidies.

 

 

Delen