Exporteren, oké, maar naar waar?

29 oktober 2019 om 16:10 | 405 weergaven

@Getty

Een terechte vraag, want de wereld is groot en biedt veel kansen, zowel om te slagen als om glansrijk te mislukken. Liefst 53% van onze export gaat naar Duitsland, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk (in volgorde van belangrijkheid), terwijl het Europese continent goed is voor 73%. De exportgroei van de voorbije tien jaar laat zien dat ook elders kansen werden gegrepen, bijvoorbeeld in Afrika ten zuiden van de Sahara, Azië en het Midden-Oosten 

Bij export krijgen sommige criteria (te gemakkelijk) voorrang, zoals afstand, taal of cultuur. Maar hoe zit het dan met de economische efficiëntie? Is het niet lonender om zich te concentreren op groeimarkten, waar kansen op aanzienlijke winstmarges de hogere risico’s en grotere inspanningen compenseren? Jan-Pieter Laleman en Raphaël Cecchi, die zich bij Credendo respectievelijk hebben gespecialiseerd in het Midden-Oosten en Azië, geven ons hun standpunten. 

 

Wij gaan er gemakshalve van uit dat de landen met het zwarte goud rijk zijn. Investeren en consumeren zijn voor hen dus geen probleem. Maar tegelijk zijn zij ook vrijwel exclusief afhankelijk van deze grondstof, die ónze landen steeds meer links laten liggen, en daardoor weinig stabiel. Is het dan wel verstandig om bedrijven te adviseren ernaar te exporteren? 

 

Jan-Pieter Laleman

Jan-Pieter Laleman: De regio die wij het Midden-Oosten noemen, is groot en divers. Een verschillende benadering van de landen in deze groep dringt zich dus op. Onze interesse gaat vooral uit naar Saudi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Oman, Qatar … De risico’s die u aanhaalt, zijn inderdaad niet te verwaarlozen. Toch vertonen deze landen voldoende politieke stabiliteit, zoals blijkt uit de talrijke toeristen die ernaartoe trekken. 

Ik denk dat de risico’s er vooral van economische aard zijn, zoals de huidige spanningen op de vastgoedmarkt, de overmatige afhankelijkheid van aardolie en het te grote overheidsbeslag in sommige landen – 25% van de Saudi’s werkt voor de Staat! Maar deze landen blijven niet bij de pakken zitten. Zij hebben begrepen dat het absoluut noodzakelijk is om minder afhankelijk te worden van wat nu vrijwel hun enige inkomstenbron is en om buitenlandse investeerders niet af te schrikken. Die hebben zij immers hard nodig om hun economie snel te ontwikkelen of zelfs om de privésector grotendeels vanaf nul op te bouwen. Zij hebben een jonge bevolking, die werk moet kunnen vinden in andere sectoren dan de al oververzadigde overheid. 

 

Je economie diversifiëren is niet gemakkelijk als je maar één grondstof hebt en het ziet ernaar uit dat de landen van het Midden-Oosten elkaar op dezelfde domeinen beconcurreren: toerisme, ontspanning, vastgoed en hernieuwbare energiebronnen. Voedt dat niet de risico’s op een te groot aanbod en het creëren van luchtbellen? 

Jan-Pieter Laleman: Een voorbeeld: in Dubai is het hotelbestand recent met 26% gegroeid en dat is meer dan de toename van het toerisme. Er doen zich dus inderdaad excessen voor, net zoals iedereen op dezelfde domeinen probeert te scoren. Als je het cynisch bekijkt, zou je kunnen zeggen dat dit ons net meer kansen biedt om zaken te doen. Maar vergeet niet dat deze landen nog maar net begonnen zijn met de voorbereiding van het tijdperk na de aardolie en dat ze dit lucide en krachtdadig aanpakken. Hun behoeften zijn gigantisch, hun middelen ook. Bovendien zal hun bijzonder jonge en beter opgeleide bevolking een nieuw type samenleving eisen wanneer zij op de arbeidsmarkt komen. Daardoor zal de privésector zich spectaculair ontwikkelen, vrijwel uit het niets. Dat dit proces al op gang is gekomen, blijkt onder andere uit initiatieven om de wetgeving voor investeerders te hervormen, de ontwikkeling van havens, luchtvaarthubs, spectaculaire vastgoedprojecten, pogingen om cultureel en sportief mee te tellen enz. 

 

Nog meer naar het oosten ligt een veelbelovend continent: Azië. Maar het is dichtbevolkt en uitgestrekt. Welke landen lonen de moeite?    

Raphaël Cecchi

Raphaël Cecchi: Voor het gemak onderscheiden wij drie zones: Oost-Azië met China, Japan en Korea; Zuidoost-Azië met Indonesië, Thailand, Vietnam, Maleisië … en ten slotte het Indische continent met India, Pakistan, Sri Lanka, Bangladesh enz. Het commerciële ontwikkelingspotentieel van de drie zones is aanzienlijk. Ze beschikken ook alle drie over een goed ontwikkelde, maar soms te moderniseren maakindustrie (die in het Midden-Oosten ontbreekt). De politieke stabiliteit van de meeste landen is gunstig voor de handel.   

 

Maar hoe stabiel is die regio? Denk aan de handelsoorlog China-VS, de spanningen in de Chinese Zee, de opstand in Hongkong, de godsdienstradicalisering in Indonesië …  

Raphaël Cecchi: Onderschat de veerkracht van landen als China niet, dat inderdaad commercieel de strijd heeft aangebonden met de VS, politieke onrust kent in Hongkong (maar dat vormt alleen in onze ogen een bedreiging …), het hoofd moet bieden aan milieuproblemen en aan looneisen die de productiekosten opdrijven enz. En toch bewaart het land zelfverzekerd zijn koers en haalt het nog steeds een economische groei die weliswaar lager ligt dan vroeger, maar waar veel landen alleen maar van kunnen dromen … Hoe groot de uitdagingen voor de Aziatische landen ook zijn, ze worden wel vastberaden aangepakt. Zo zijn die landen nog sterk afhankelijk van steenkool, maar schakelen hun economieën nu massaal over op gas en hernieuwbare energiebronnen. Japan heeft af te rekenen met een sterk verouderende bevolking, maar creëert nu nieuwe mogelijkheden voor robotica … Vietnam, tot nu toe de lachende derde in de handelsoorlog tussen China en de VS, trekt veel productiebedrijven aan die delokaliseren om aan de Amerikaanse importtarieven te ontsnappen. Stuk voor stuk economische kansen! Trouwens, onze problemen zijn ook niet te onderschatten, maar in de perceptie lijken problemen in verre landen altijd groter. Onze ondernemers mogen zich daardoor niet laten afschrikken.  

Onze voorgeschiedenis van intense commerciële relaties is nog een argument om belangstelling te tonen voor Azië. Wij kennen hun gewoonten, zij die van ons. 

Als wij landen een rating geven, analyseren en evalueren wij onder andere hun economisch groeipotentieel, solvabiliteit, schuldgraad en deviezenreserves. En aangezien de ratings van China en andere landen uit deze regio op korte en middellange termijn goed zijn, zowel inzake politieke als zakelijke risico’s, mag Azië niet ontbreken op de prospectieshortlist van kandidaat-exporteurs. 

Dit alles neemt niet weg dat het ook elders interessant kan zijn om zaken te doen, zelfs in landen die minder goed staan aangeschreven. Zo hebben de Afrikaanse landen over het algemeen een slechtere rating door governance-problemen. Vaak zijn die te wijten aan de hebzucht die wordt opgewekt door hun kostbare grondstoffen. De spectaculaire demografische druk vormt in veel landen de basis voor een sterke groei. Er liggen dus zeker kansen voor het oprapen en wij zullen iemand die het erop waagt zeker niet ontmoedigen, maar het “landenrisico” mag niet worden onderschat. 

Jan-Pieter Laleman: En op de eerste vraag naar waar exporteren? luidt het antwoord: “waar er geld zit”. Want rentabiliteit blijft natuurlijk de belangrijkste vereiste voor een bedrijf. Andere cruciale punten zijn een goede voorbereiding, voldoende middelen voor het project vrijmaken en een goede begeleiding van begin tot eind. Dat laatste is volop aanwezig in allerlei instellingen in ons land en in de Gewesten. Het zou zonde zijn om er geen gebruik van te maken. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Delen