De Brusselse arbeidsmarkt beter beheren?

Door Vincent Delannoy  - 1 januari 2020 om 09:01 | 395 weergaven

Om over dit belangrijke thema na te denken ontmoette Bernard Clerfayt, minister van werkgelegenheid en beroepsopleiding, een twintigtal grote werkgevers uit het Brusselse Gewest die lid zijn van Beci. De gesprekken dankten veel van hun diepgang aan de zeer verhelderende voordracht van Steven Vanackere, vicevoorzitter van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid en directeur van de Nationale Bank van België. 

 

Via een accurate en pedagogisch opgebouwde uiteenzetting presenteerde Steven Vanackere een overzicht van de arbeidsmarkt in België en Brussel. Hij citeerde een aantal opvallende bevindingen uit het verslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid 2019 (zie: http://www.werk.belgie.be/home.aspx).

Van meet af aan valideerde Steven Vanackere in grote lijnen de recente analyse en verklaring van minister Clerfayt, waarin staat dat Brussel geen extra banen nodig heeft, wél meer Brusselaars die deze functies kunnen invullen. Het verslag onderzoekt en objectiveert heel wat fenomenen op onze arbeidsmarkt. De directeur van de NBB legde bijzondere nadruk op de manier waarop we de werkgelegenheidsgraad moeten berekenen.

 

Een werkgelegenheidsgraad in voltijdsequivalenten

Onze nationale werkgelegenheidsgraad ligt onmiskenbaar nogal aan de lage kant. Toch krijgen we een iets ander beeld wanneer deze waarde in voltijdsequivalenten wordt uitgedrukt. In dat geval scoort België beter dan Nederland. Laten we ook melden dat deeltijdswerk in België meestal een vrijwillige keuze is van de werknemer. Ongewild deeltijdswerk (dat de werknemer dus niet heeft gevraagd) ligt bij ons ver onder het Europese gemiddelde. Deeltijdswerk dient als oplossing zeker te worden bevorderd om onze werkgelegenheidsgraad op te krikken, des te meer omdat het beantwoordt aan de wens van werknemers.

Talrijke vraagstukken kwamen aan bod, ondersteund door cijfergegevens. Zo bijvoorbeeld de vergelijking van de Belgische en Brusselse arbeidsmarkt met die van de buurlanden, de omzetting van economische groei in een stijging van de werkgelegenheid, het tekort aan geschoolde arbeidskrachten, niet-ingevulde functies, de werkloosheidsgraad in functie van de doelgroep en op geografische basis, de activiteitsgraad, de op de arbeidsmarkt beschikbare bevolking over een tijdspanne van 10 jaar, spanningen op de arbeidsmarkt, de hiaat tussen vraag en aanbod, de verbetering van de fiscale wig, de werkloosheidsvallen, de kost en competitiviteit van lonen, de gevolgen van de digitalisering …

 

De Brusselaar, de Waal en de Vlaming zijn onvoldoende opgeleid

Een andere zorgwekkende bevinding is het percentage volwassenen dat deelneemt aan permanente vorming. In België is dit ongeveer 8,5%, een bijzonder zwak cijfer. Ter vergelijking halen Frankrijk op dat vlak 18%, Nederland 19% en Finland meer dan 25%. De Belgische situatie staat in schril contrast met de mening van zowel de minister als de werkgevers om de tafel: zij bevestigden dat vorming van groot belang is en een uitdaging vormt, niet alleen voor werkzoekenden, maar voor alle werknemers gedurende hun loopbaan.

Minister Bernard Clerfayt beschouwde vorming als een grote uitdaging voor Brussel en zijn inwoners. De aanwezige werkgevers bespraken eveneens de oriëntering van jongeren in opleiding en van actieve werknemers naar vaardigheden waar de arbeidsmarkt naar vraagt. Wat betreft betaald educatief verlof is Vlaanderen gaan werken aan een betere afstemming op de werkelijke behoeften van de markt. Minister Clerfayt erkende van zijn kant de noodzaak om een betere aansluiting te bereiken tussen de aangeboden opleidingen en de beschikbare banen. 

 

Nooit genoeg vorming

Het sociaal secretariaat SD Worx nam deel aan het rondetafelgesprek en citeerde Alvin Toffler: “De analfabeten van de 21e eeuw zullen niet zijn wie niet kan lezen of schrijven, maar degenen die niet kunnen leren, afleren en opnieuw leren.” Bart Pollentier legde de klemtoon op deze cruciale noodzaak, om de arbeidsmarkt te betreden, uiteraard, maar ook om er te blijven en om de inzetbaarheid van de werkkracht te behouden en zelfs te verbeteren. Michel Croisé, CEO van Sodexo Belgium, beaamde dit: “Wij hechten veel belang aan vorming en sporen ons personeel dan ook aan om constant bij te leren. Werknemers zijn zich onvoldoende bewust van de kans – en soms van de noodzaak – die de aangeboden opleidingen betekenen.”

Ook Geoffroy Gersdorff, CEO van Carrefour Belgium, was deze mening toegedaan: “Wij stellen 11.000 mensen tewerk en willen graag hun inzetbaarheid globaal verbeteren. Wij organiseren dus heel wat trainingen. Het volstaat echter niet dat de werknemer iets anders leert te doen. Hij moet ook werken aan zijn bereidheid om ander werk te aanvaarden. Dat loopt niet altijd van een leien dakje.”

Op het terrein bevestigden en illustreerden de werkgevers de cijfers van Steven Vanackere over de deelname van volwassenen aan bij- en nascholing: in alle Belgische gewesten ligt dit percentage laag. Er bestaan mogelijkheden en middelen, de werkgevers trachten die te promoten, maar de resultaten voldoen niet aan de verwachtingen. Waar wringt het schoentje?

SD Worx pleitte voor aanzienlijke incentives voor al wie werkt aan het verbeteren van zijn of haar bekwaamheden. Steven Vanackere oordeelde dat er ook stimulansen nodig zijn om de opleidingen te promoten die rechtstreeks leiden tot werkgelegenheid. En wat was het standpunt van de sectoren die bereid zijn massaal aan te werven, maar geen kandidaten vinden, zoals Jean-Christophe Vanderhaegen van de Confederatie Bouw tot zijn grote spijt vaststelde? Hij pleitte voor meer steun aan efficiënte en resultaatgerichte onderwijsstelsels, zoals het EFP – sfpme, het Brussels centrum voor alternerend beroepsonderwijs, waarvan 80% van de studenten een baan vindt.

 

Opleidingen voor sectoren die aanwerven

“Inderdaad”, zei Olivier Willocx, CEO van Beci: “In de Franse Gemeenschap bestaan er opleidingstrajecten die amper 4% sociaal-professionele integratie bereiken. De resterende 96% wordt dus werkloos. Opleidingen in beroepen die niet meer bestaan, moeten we een halt toeroepen. Deze middelen zouden we veel beter besteden aan opleidingen voor veelbelovende sectoren, zoals de bouw. Vandaag zit Brussel met een tekort aan duizenden arbeiders om residentiële gebouwen te renoveren en de energietransitie te verwezenlijken, in lijn met de klimaatdoelstellingen.”

Béatrice de Mahieu, CEO van Co.Station, opperde dat ze “om vorming te stimuleren, heel wat ervaring heeft opgedaan met het oplossen van concrete gevallen. Vraag aan uiteenlopende profielen om aan specifieke projecten te werken, en die mensen worden getraind zonder dat ze het zelf beseffen.” In een dergelijke context wordt de opleiding niet aangevoeld als een verplichting. De mensen zijn bijzonder gemotiveerd, mede dankzij een context van startende activiteit en een technologische omgeving, die zeer in trek is.

Eigenlijk was iedereen het eens over deze vaststelling: vorming om toegang te krijgen tot een baan of als verdere ontwikkeling van vaardigheden is en blijft een prioriteit.

 

Bernard Clerfayt

“ De opleidingen moeten beter aansluiten bij de beschikbare banen.” 

 

Delen