Het statuut van platformwerkers – wat staat er op het spel?

20 april 2022 om 09:04 | 233 weergaven

[gastartikel]

De platformeconomie – een bloeiende sector

De platformeconomie kent al jaren een sterke evolutie. Volgens de Europese Commissie zijn er in de Unie momenteel naar schatting 28 miljoen mensen werkzaam in deze economie. Tegen 2025 zou dit aantal 43 miljoen bedragen.

Hoewel de platformeconomie reële kansen biedt, zowel voor de ondernemingen die in deze sector actief zijn als voor de betrokken consumenten en medewerkers, roept zij ook bepaalde vragen op, meer bepaald in verband met het sociaal statuut van de medewerkers.

Volgens de Europese Commissie is 90% onder hen actief als zelfstandige. In veel situaties roept deze kwalificatie vragen op. De zelfstandige onderscheidt zich immers van de werknemer door het ontbreken van een gezagsrelatie, die een essentieel element is voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Maar in hoeverre zijn deze medewerkers werkelijk zelfstandigen? En hoe zit het met de medewerkers die vrijwillig voor dit type activiteiten kiezen omdat zij dit als zelfstandige kunnen uitvoeren?

In veel Europese landen werden er gerechtelijke procedures opgestart. Vaak gaat het om procedures op initiatief van de medewerkers of van de openbare ministeries (het arbeidsauditoraat in België), die tot doel hebben de zelfstandigenovereenkomst te laten herkwalificeren in een arbeidsovereenkomst.

Hoewel in veel van deze beslissingen het bestaan van een band van ondergeschiktheid en dus van een arbeidsovereenkomst wordt erkend, is de rechtspraak verre van unaniem. Dit wordt geïllustreerd door een recente beslissing van de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel, waarin de rechtbank besliste dat de medewerkers van het platform Deliveroo als zelfstandigen moeten worden beschouwd.

Het is in deze context dat de Europese Commissie en de Belgische federale regering wetgevende initiatieven genomen hebben.

Wij geven u een korte analyse van deze zeer actuele kwestie.

Het Belgische wettelijke kader

De juiste vaststelling van het statuut van een medewerker – werknemer of zelfstandige – is van essentieel belang, aangezien beide statuten onderworpen zijn aan verschillende regelingen op het vlak van sociale zekerheid en arbeidsrecht. Niet alleen zijn de socialezekerheidsbijdragen voor zelfstandigen aanzienlijk lager dan voor werknemers, maar deze laatsten genieten ook van een hele reeks beschermende arbeidsrechtelijke bepalingen waarop zelfstandigen zich niet kunnen beroepen. 

Hoewel het onderscheid tussen de twee categorieën in beginsel eenvoudig lijkt, is dit verre van het geval in de praktijk en bestaan er veel grijze zones.

De Belgische wet betreffende de aard van de arbeidsverhouding voorziet bepaalde criteria om de aard van de arbeidsverhouding te kwalificeren. De zogenaamde “algemene” criteria zijn (1) de door de partijen gegeven kwalificatie, (2) de vrijheid om het werk te organiseren, (3) de vrijheid om de arbeidstijd te organiseren en (4) de mogelijkheid van hiërarchische controle. 

Bovendien gelden er speciale criteria (negen in totaal) voor de zogenaamde “gevoelige” sectoren (bewaking, vervoer van goederen en personen, schoonmaak en bouw). Deze criteria hebben voornamelijk betrekking op het al dan niet aanwezig zijn van de economische afhankelijkheid van de medewerker t.a.v. van de opdrachtgever (zoals de aanwezigheid van een economisch risico, de mogelijkheid om mee te beslissen over prijzen, aankoopbeleid, financiële middelen, het zelf in dienst kunnen nemen van personeel, enz.). Indien aan ten minste vijf van de negen criteria is voldaan, zal de arbeidsverhouding – op weerlegbare wijze – worden vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn.

De Deliveroo-zaak

Na afloop van een onderzoek dat in 2017 begon, heeft het arbeidsauditoraat – samen met een dertigtal medewerkers – een vordering ingesteld tegen Deliveroo voor de Franstalige Arbeidsrechtbank van Brussel. Het doel van deze procedure was om de overeenkomst van de medewerkers in een arbeidsovereenkomst te laten herkwalificeren. Deze vordering heeft geleid tot een (omvangrijk) vonnis op 8 december 2021.

Na te hebben opgemerkt dat het regime van de bijzondere criteria van toepassing was op Deliveroo, aangezien zij actief is in het gebied van personenvervoer, stelde de rechter in eerste instantie vast dat aan ten minste vijf van de negen criteria was voldaan en dat de arbeidsverhouding bijgevolg werd vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn. 

In tweede instantie heeft de rechtbank echter geoordeeld dat het vermoeden werd weerlegd op basis van de algemene criteria. Daartoe heeft de rechtbank de concrete werking van het platform geanalyseerd en is zij tot de conclusie gekomen dat :

  • De medewerkers er vrijelijk voor gekozen hadden om als zelfstandige actief te zijn.
  • De medewerkers vrij zijn om hun arbeidstijd en hun werk te organiseren. De rechter merkte met name op dat het de medewerkers vrij staat om in verbinding te treden met het platform, om een opdracht te aanvaarden en dat de hun opgelegde GPS-tracking gerechtvaardigd is door de enkele noodzaak om de klant op de hoogte te houden van zijn bestelling.
  • Deliveroo de mogelijkheid niet heeft om duidelijke instructies te geven aan de medewerkers en om hen sancties op te leggen.

Op basis van deze bevindingen heeft de rechtbank beslist dat de medewerkers als zelfstandigen moeten worden beschouwd. Er zij op gewezen dat het arbeidsauditoraat tegen deze uitspraak in beroep is gegaan.

Wetgevingsinitiatieven op Europees en Belgisch niveau

Dit vonnis is slechts één illustratie van het gebrek aan rechtszekerheid m.b.t. het statuut van platformmedewerkers, een gebrek aan rechtszekerheid dat zich trouwens niet tot België beperkt. Deze onzekerheid heeft de Europese Commissie ertoe aangezet om zich over de kwestie te buigen.

Het toeval wil dat de Commissie daags na het vonnis, op 9 december 2021, een ontwerp-richtlijn heeft bekendgemaakt.

De voorgestelde tekst voorziet in de eerste plaats in de invoering van een stelsel van vermoeden op basis van criteria die specifiek zijn voor de platformsector. Zo zou er een vermoeden van een arbeidsovereenkomst bestaan wanneer aan ten minste twee van de volgende vijf criteria is voldaan:

  1. Het platform bepaalt daadwerkelijk het niveau van de vergoeding en stelt bovengrenzen vast;
  2. De persoon die platformwerk verricht, wordt verplicht specifieke bindende regels in acht te nemen met betrekking tot het uiterlijk, het gedrag ten aanzien van de afnemer van de dienst of de uitvoering van het werk;
  3. Er wordt door het platform toezicht gehouden op de uitvoering van het werk of de kwaliteit van de resultaten van het werk wordt geverifieerd, ook met behulp van elektronische middelen;
  4. De vrijheid om het werk te organiseren wordt daadwerkelijk beperkt door het platform — onder meer door sancties —, met name de vrijheid om zelf de arbeidstijd of perioden van afwezigheid te kiezen, om taken te aanvaarden of te weigeren of om gebruik te maken van onderaannemers of vervangers in te schakelen;
  5. De mogelijkheid om een klantenbestand op te bouwen of werk voor derden uit te voeren, wordt daadwerkelijk beperkt door het platform.

Ook hier zou het een weerlegbaar vermoeden betreffen, zoals dit reeds het geval is in de Belgische wetgeving.

Daarnaast bevat het voorstel een reeks maatregelen die tot doel hebben om de relatie tussen het platform en de medewerkers beter te omkaderen. Deze maatregelen omvatten o.m. het verbeteren van de transparantie van algoritmische systemen, het invoeren van menselijk toezicht op deze systemen, het bieden van de mogelijkheid aan medewerkers om door de systemen genomen beslissingen te betwisten en een bescherming tegen represaillemaatregelen t.a.v. medewerkers die gebruik maken van de in de richtlijn vastgestelde rechten.

Het voorstel van de Commissie bevat verschillende vernieuwingen, maar als er één is die eruit springt, dan betreft het het feit dat in de tekst expliciet wordt erkend dat het werkgeversgezag van het platform met elektronische middelen kan worden uitgeoefend (“algoritmisch beheer”). 

Deze tekst betreft echter slechts een ontwerp-richtlijn. In het beste geval zal de richtlijn pas in 2023 worden goedgekeurd, waarna zij nog in nationaal recht zal moeten worden omgezet.

Zich bewust zijnde van deze lange timing, besloot de Belgische federale regering om sneller in te grijpen. In aansluiting op het akkoord over de hervorming van de arbeidsmarkt, dat op 14 februari 2022 werd gesloten, werd een wetsontwerp goedgekeurd. 

Enerzijds voorziet de tekst dat er in de wet betreffende de aard van de arbeidsrelatie een vermoedensysteem zal worden opgenomen dat gebaseerd is op acht evaluatiecriteria die specifiek van toepassing zullen zijn op de platformsector. Net als in het voorstel van de Commissie zullen deze criteria rekening houden met het door de platforms gebruikte algoritme. Indien aan drie van de acht criteria is voldaan, dan zal het vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst van toepassing zijn.

Anderzijds streeft de regering ernaar de werkingssfeer van de wet op de arbeidsongevallen uit te breiden tot alle platformmedewerkers, ongeacht hun statuut.

Conclusie

De platformeconomie en haar sterke groei stellen ons voor echte uitdagingen. Deze ontwikkeling heeft de rechtspraak en, in het kielzog daarvan, de wetgevers ertoe aangezet na te denken over een beter juridisch kader.

De uitvoering van de voorgenomen maatregelen zal nog enige tijd in beslag nemen. Echter, zowel wat betreft het Europese als het Belgische initiatief, moet worden opgemerkt dat deze de verschillende actoren niet het ene of het andere statuut opleggen. Zij blijven de keuze houden, waarbij evenwel bepaalde, aan de sector aangepaste richtsnoeren, in aanmerking zullen moeten worden genomen.

Er blijven nog veel vragen openstaan. Maar stilaan evolueert het sociaal recht, ook op het gebied van de platformeconomie.

Over de auteurs

Emmanuel Wauters, Advocaat-Vennoot & Anne Laure Brocorens, Advocaat bij MVVP – Advocaten

Delen