Net zoals Brussel met de Audi-vestiging gaat de Europese Commissie prioritaire industrialisatiezones aanwijzen. Overheidsopdrachten, buitenlandse investeringen: ze heeft nog meer maatregelen op de planning staan om haar bedrijven te beschermen.
In navolging van een van de vele aanbevelingen uit het rapport-Draghi heeft de Europese Commissie vorige maand de Industrial Accelerator Act aangenomen. Het doel: haar bedrijven beschermen in een reeks sectoren die als strategisch worden beschouwd voor het oude continent.
Het werd tijd. Ruim een jaar geleden hadden 1.300 Europese bedrijven met de ondertekening van de Verklaring van Antwerpen al alarm geslagen en aangedrongen op een duidelijker en voorspelbaarder Europees industriebeleid. “De Europese Unie zou alle beleidsinstrumenten ter bestrijding van oneerlijke concurrentie moeten onderzoeken om eerlijke concurrentievoorwaarden voor haar industrieën te waarborgen, zowel op de interne markt als op de internationale markten”, aldus de tekst.
Een minimum aandeel lokale productie
Met deze nieuwe regeling is het in de eerste plaats de bedoeling om sectoren te beschermen die erg gevoelig zijn voor energiekosten, zoals de cementindustrie, de staalindustrie, de aluminiumproductie en – op termijn – de koolstofarme chemie. De EU zal de toekenning van overheidsgeld – overheidsopdrachten, subsidies, staatssteun en elke vorm van financiële steun – aan alle bedrijven in deze sectoren afhankelijk stellen van een minimumpercentage aan productie op haar grondgebied.
Maar Europa wil zijn bedrijven ook helpen op een reeks gebieden die van vitaal belang worden geacht voor zijn economische toekomst. Met name de productie van elektrische en oplaadbare hybride voertuigen en schone energie: batterijen, windenergie, elektrolyse-installaties, warmtepompen, fotovoltaïsche panelen en kerncentrales. Hier zal aan elk betrokken bedrijf een minimumpercentage aan “Made in Europe”-componenten worden opgelegd.
Onder ‘Europa’ vallen in dit kader niet alleen de 27 lidstaten, maar ook de andere leden van de Europese Economische Ruimte – Noorwegen, IJsland, Liechtenstein – evenals een lijst van partnerlanden waarmee handelsovereenkomsten zullen worden gesloten, die nog nader moet worden vastgesteld.
Prioritaire industrialisatiegebieden
Een andere maatregel is bedoeld om de controle op buitenlandse investeringen te versterken. Investeringen van meer dan 100 miljoen euro, afkomstig uit een land dat een wereldwijd marktaandeel van meer dan 40% heeft in een sector die als strategisch wordt beschouwd, zullen aan een minimum aan criteria moeten voldoen. Deze criteria hebben betrekking op de verplichting tot technologieoverdracht of partnerschappen met Europese bedrijven, het aandeel van werknemers dat in de Unie is gevestigd, een beperkte deelneming in het kapitaal of een deel van de wereldwijde omzet dat in de Unie in R&D wordt geïnvesteerd. Ook hier moet een minimumpercentage (30%) van de componenten van het eindproduct afkomstig zijn uit de EU.
Ten slotte is de Commissie van plan “prioritaire industrialisatiezones” in te stellen met versnelde vergunningsprocedures en voorrang bij de toegang tot energie en kritieke materialen.
Een koerswijziging?
Verandert de EU, die decennialang doordrongen was van de geest van vrijhandel, vandaag de dag met “Made in Europe” van koers? Vanuit het oogpunt van het mededingingsrecht gaat het minder om een paradigmaverschuiving dan om een herijking, legt Nicolas Hipp, Senior Associate bij het advocatenkantoor Fidal, uit. Hij herinnert eraan dat de Commissie in 2019 de fusie tussen Alstom en Siemens had geblokkeerd, waarbij zij de voorkeur gaf aan een zeer strikte toepassing van het recht boven de oprichting van een Europese kampioen. “Vandaag de dag heeft de geopolitieke context de prioriteiten veranderd. Europa geeft toe dat zijn rivalen de regels negeerden waarmee het van plan was te spelen”, vat hij samen. Wat betreft de beperkingen die aan buitenlandse investeringen worden opgelegd, merkt de deskundige op dat verschillende lidstaten, waaronder België, al filtermechanismen hadden ingevoerd. “Het voorstel bouwt voort op de wens van de Commissie om over te stappen van een minimaal kader naar een meer geharmoniseerd en bindender systeem. Maar met hoge drempels en beperkte sectoren zal de impact beperkt blijven”, voorspelt hij.
Alexandre Marescaux, eveneens advocaat bij Fidal, verwacht op zijn beurt dat de invoering van een Europese voorkeur spanningen en interpretatieproblemen zal veroorzaken waarover de rechtbanken zullen moeten beslissen. “De buitengesloten buitenlandse marktdeelnemers zullen niet passief blijven. En de spanningen zullen niet alleen van buitenaf komen: de meningsverschillen tussen lidstaten, of tussen autofabrikanten en toeleveranciers, tonen aan dat Europa op dit punt niet eensgezind is”, merkt hij op. Hij wijst ook op de toenemende complexiteit van de Europese staatssteunregeling. “Elke crisis – Covid, energie, groene industrie en nu herindustrialisering – vraagt om een uitzondering. Het zou nuttig zijn om een einde te maken aan de opeenstapeling van teksten en terug te keren naar een duidelijk en uniform referentiekader. Maar daarnaast ontbreekt het de lidstaten te vaak aan middelen om de Europese ambities waar te maken”, concludeert hij.
Lees ook: Europa binnen handbereik van Brusselse bedrijven
