In het arbeidsrecht komt het geregeld voor dat bewijsmiddelen op onrechtmatige wijze werden verkregen (bijvoorbeeld een diefstal vastgesteld via een onrechtmatige camerabewaking of een ongeoorloofde toegang tot e-mails). De vraag rijst dan of de rechter deze bewijsmiddelen alsnog in aanmerking mag nemen. Het Hof van Cassatie heeft op die vraag een belangrijk antwoord gegeven, namelijk via de zogenaamde “Antigoon”-rechtspraak.
Op het ogenblik van het schrijven van dit artikel is de wet tot regeling van de private opsporing van toepassing binnen de arbeidsverhoudingen. De vraag stelt zich echter hoe de zogenaamde “Antigoon”-leer moet worden toegepast binnen het kader van deze wet. Volgens het Hof van Cassatie kan een op onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddel in het arbeidsrecht slechts in twee strikt omschreven gevallen buiten beschouwing worden gelaten, naast het geval wanneer regels worden geschonden die uitdrukkelijk op straffe van nietigheid worden voorgeschreven (“Antigoon”-rechtspraak): namelijk wanneer de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijsmiddel aantast of wanneer het gebruik ervan in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
In verschillende recente zaken heeft het Hof van Cassatie rechtscolleges ten gronde teruggefloten die bewijsmiddelen louter wegens hun onrechtmatig karakter hadden uitgesloten, zonder een concrete toetsing aan de bovenstaande criteria. Zo heeft het Hof er in dossiers met betrekking tot onderzoeken uitgevoerd door gerechtsdeurwaarders of privédetectives (zoals het doorzoeken van professionele mailboxen of het observeren van werknemers) aan herinnerd dat de loutere onwettigheid van de bewijsvergaring op zich niet volstaat om het bewijs uit te sluiten.
Het komt de rechter toe concreet na te gaan of deze onwettigheid, wanneer zij niet uitdrukkelijk wordt gesanctioneerd op straffe van nietigheid, de betrouwbaarheid van het bewijsmiddel aantast of het recht op een eerlijk proces schendt.
Hoe deze rechtspraak toepassen op de wet op de private opsporing?
De WPO voorziet dat bepaalde bepalingen worden gesanctioneerd met nietigheid, wat bijgevolg de uitsluiting uit de debatten rechtvaardigt van stukken die werden verkregen in strijd met deze bepalingen. Niet elke inbreuk op de WPO leidt echter noodzakelijk tot nietigheid.
De voorbereidende werken verduidelijken dat, wanneer meerdere onderzoeksmethoden werden aangewend, de elementen die werden vastgesteld via regelmatige methoden hun bewijskracht kunnen behouden, zelfs indien een deel van het onderzoek berust op een onwettige methode.
Ook recente rechtspraak bevestigt deze genuanceerde benadering. De rechter oordeelt soeverein over de bewijskracht die kan worden toegekend aan de bevindingen van een privaat onderzoek, overeenkomstig artikel 101, §3 van de WPO.
Gelet op deze bepaling, rekening houdend met de inmiddels ruim aanvaarde toepassing van de “Antigoon”-rechtspraak in het arbeidsrecht, de toepassing ervan onder de vroegere wetgeving inzake privédetectives, en het feit dat slechts tien bepalingen van de wet op de private opsporing uitdrukkelijk met nietigheid zijn gesanctioneerd, zijn wij van oordeel dat de “Antigoon”-leer volledig van toepassing is op de WPO.
Volgens ons is het dan ook aangewezen om geval per geval te beoordelen of de WPO uitdrukkelijk een nietigheidssanctie voorziet voor het betrokken onrechtmatig verkregen bewijsmiddel en, wanneer dat niet het geval is, of de vastgestelde onregelmatigheid afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van het bewijs of aan het recht op een eerlijk proces.
Enkel in deze hypothesen zou het onregelmatig verkregen bewijs door de rechter uit de debatten moeten worden geweerd.
Daar Marjolaine Dessard – Senior Associate Claeys & Engels
Neem deel aan onze training over de uitdagingen op het gebied van arbeidsverhoudingen binnen bedrijven: Vakbondsonderhandelingen: oefen in praktijkomstandigheden