Arbeidsdeal: individueel opleidingsrecht

6 januari 2023 om 09:01 | 116 weergaven

[Gastartikel]

De arbeidsdeal voorziet in een individueel opleidingsrecht.

Dit recht vervangt de globale verplichting voor werkgevers uit de privésector om een opleidingsinspanning te leveren van gemiddeld 5 dagen per jaar en per voltijdse werknemer.

 

Bedoelde ondernemingen

Dit individuele opleidingsrecht geldt in alle ondernemingen (hoofdzakelijk) van de privésector, met uitzondering van ondernemingen die minder dan 10 werknemers tewerkstellen.

Het aantal tewerkgestelde werknemers wordt berekend in voltijdse equivalenten op basis van de gemiddelde tewerkstelling van de referteperiode voorafgaand aan de tweejaarlijkse periode die voor de eerste keer op 01.01.2022 begint.

De referteperiode is de periode bestaande uit het 4e kwartaal van het voorlaatste jaar en de eerste 3 kwartalen van het jaar voorafgaand aan de tweejaarlijkse periode.

Voor de periode 2022-2023 begint de referteperiode meer bepaald op 01.10.2020 en eindigt ze op 30.09.2021.

Om het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers in voltijdse equivalenten tijdens de referteperiode te berekenen, delen we:

het totaal van de op het einde van elk kwartaal van de referteperiode aangegeven werknemers in voltijdse equivalenten
door het aantal kwartalen waarvoor de werkgever werknemers heeft aangegeven aan de RSZ.

 

Opmerking – Indien er voor de referteperiode geen aangifte bij de RSZ wordt gedaan, moet het aantal werknemers in aanmerking genomen worden dat tewerkgesteld was op de laatste dag van het kwartaal waarin de eerste tewerkstelling na deze periode plaatsvond.

 

Aantal opleidingsdagen per werknemer

Elke werknemer heeft een individueel opleidingsrecht in de betreffende ondernemingen.

Indien de werknemer voltijds werkt, omvat dit recht:

in 2023: ten minste 4 opleidingsdagen;
vanaf 2024: ten minste 5 opleidingsdagen per jaar.

 

Indien de werknemer niet voltijds tewerkgesteld wordt en/of niet door een arbeidsovereenkomst verbonden is gedurende het volledige kalenderjaar (rekening houdende met zijn arbeidsovereenkomst), is de formule die toegepast moet worden om het aantal opleidingsdagen te bepalen de volgende: A x B x C waarbij

A = het aantal in de schoot van de onderneming toegekende opleidingsdagen voor een voltijds tewerkgestelde werknemer

B = het arbeidsregime van de werknemer in verhouding tot een voltijds arbeidsregime

C = het aantal maanden gedeeld door 12 gedurende dewelke de werknemer werd tewerkgesteld in de schoot van de onderneming (elke begonnen maand wordt beschouwd als een volledig gepresteerde maand).

 

Concretisering van het individueel opleidingsrecht

Het individueel opleidingsrecht wordt geconcretiseerd:

hetzij, op het niveau van de sector, door middel van een bij Koninklijk Besluit verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst (cao); voor de periode 2023-2024 moeten de sectorale cao’s uiterlijk op 30.09.2023 worden neergelegd bij de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen (FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg);
hetzij, bij gebrek aan een sectorale cao, op het niveau van de onderneming.

 

Het individueel opleidingsrecht wordt op het niveau van de onderneming geconcretiseerd door de toekenning van opleidingsdagen (= opleidingskrediet) in een individuele opleidingsrekening.

Het opleidingskrediet waarover de voltijds tewerkgestelde werknemer beschikt, kan niet lager zijn dan:

4 opleidingsdagen in 2023;
5 opleidingsdagen per jaar vanaf 2024.

 

De individuele opleidingsrekening moet geconcretiseerd worden door middel van een formulier dat minstens de volgende vermeldingen bevat:

de identiteit van de werknemer (naam, voornaam, datum en plaats van geboorte, adres, rijksregisternummer);
het arbeidsregime waarin de werknemer wordt tewerkgesteld;
het of de bevoegde paritaire comité(s) of paritaire subcomité(s);
het opleidingskrediet (aantal opleidingsdagen waarover de werknemer per jaar beschikt);
(elke keer dat de werknemer een opleiding volgt) het aantal gevolgde opleidingsdagen en het aantal overblijvende dagen of het aantal over te dragen dagen naar het volgende jaar;
het groeipad, d.w.z. de termijn waarbinnen het vastgestelde aantal opleidingsdagen bereikt moet worden.

 

Dit formulier moet onder papieren vorm of onder elektronische vorm worden bijgehouden in het persoonlijke dossier van de werknemer (dossier beheerd door de personeelsdienst) en maakt er integraal deel van uit.

De werkgever moet elke betrokken werknemer inlichten over:

de invoering/het bestaan van de individuele opleidingsrekening;
minstens één keer per jaar, het saldo van het opleidingskrediet, zijn recht tot raadpleging van zijn rekening (op elk ogenblik en op eenvoudig verzoek) en zijn recht tot correctie van fouten (met akkoord van de werkgever).

 

Bij gebrek aan een sectorale cao en een individuele opleidingsrekening

Bij gebrek aan een sectorale cao en een individuele opleidingsrekening is een individueel opleidingsrecht van toepassing, dat voor een voltijdse werknemer neerkomt op:

in 2023: ten minste 4 opleidingsdagen;
vanaf 2024: ten minste 5 opleidingsdagen per jaar.

 

Overdracht van het saldo van de opleidingsdagen en terugzetten op nul

Het saldo van de niet-opgebruikte opleidingsdagen wordt op het einde van het jaar overgedragen naar het daaropvolgende jaar, zonder dat dit saldo in mindering mag gebracht worden van het opleidingskrediet van de werknemer voor dat volgende jaar.

Opgelet! Een voltijds tewerkgestelde werknemer moet gemiddeld minimum 5 opleidingsdagen per jaar hebben opgenomen:

op het einde van elke periode van 5 jaar, die ten vroegste kan beginnen op 01.01.2024
of voor het einde van de arbeidsovereenkomst indien die eindigt voordat de voormelde periode van 5 jaar afloopt.

 

Op het einde van de periode van 5 jaar wordt het saldo van het beschikbare opleidingskrediet op nul gezet.

 

Soorten opleiding en opvolging

De opleidingen die in het kader van het individueel opleidingsrecht in aanmerking moeten worden genomen, zijn niet uitdrukkelijk in de wet vermeld.

Alleen de begrippen ‘formele opleiding’ en ‘informele opleiding’ worden gedefinieerd. Het gaat om begrippen die vergelijkbaar zijn met de tot nu toe geldende begrippen.

In principe moet dus ten minste rekening worden gehouden met zowel de formele opleidingen (bv. opleidingen in het kader van het educatief verlof) als de informele opleidingen (bv. het bijwonen van conferenties voor leerdoeleinden).

De werkgever moet de opleidingen verder blijven opnemen in de sociale balans.

De werknemer kan de opleiding volgen:

hetzij binnen zijn gewone werktijden;
hetzij buiten zijn gewone werktijden; in dit geval geven de uren die overeenstemmen met de duur van de opleiding recht op de betaling van het normale loon, zonder overloon.

 

Beëindiging van de arbeidsovereenkomst

Bij een ontslag om dringende redenen of wanneer de werknemer ontslag neemt, heeft de werknemer niet het recht om zijn gecumuleerde opleidingskrediet (resterende opleidingsdagen) op te nemen vooraleer zijn arbeidsovereenkomst wordt beëindigd.

Het niet-opgebruikte opleidingskrediet geeft geen aanleiding tot:

een verhoging van de opzeggingstermijn,
noch tot een verhoging van de opzeggingsvergoeding.

 

Bij een ontslag dat niet te wijten is aan de werknemer heeft de werknemer het recht om zijn gecumuleerde opleidingskrediet (resterende opleidingsdagen) op te nemen vooraleer zijn arbeidsovereenkomst beëindigd is (tijdens de opzeggingsperiode).

Het is aan de werkgever en de werknemer om te beslissen wat er met deze opleidingsdagen gebeurt en hoe deze dagen kunnen worden opgenomen.

Wanneer de opzeggingstermijn geheel of gedeeltelijk wordt vervangen door een opzeggingsvergoeding, geldt dit openstaande opleidingskrediet als een voordeel verworven krachtens de overeenkomst.

 

Ondernemingen met ten minste 10 en minder dan 20 werknemers: afwijkingen

Voor ondernemingen met ten minste 10 en minder dan 20 werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten geldt een afwijkend stelsel (voor de berekening, zie hierboven).

Aantal opleidingsdagen per werknemer

In deze ondernemingen moet voor een voltijdse werknemer die het volledige jaar in dienst is een individueel opleidingsrecht en een opleidingskrediet van minimum één opleidingsdag per jaar worden gegarandeerd.

Daartoe moet de werkgever vóór 30 september van elk jaar het aantal opleidingsdagen vaststellen waarop de werknemers recht hebben.

Overdracht van het saldo van de opleidingsdagen en terugzetten op nul

Het saldo van de niet-opgebruikte opleidingsdagen wordt op het einde van het jaar overgedragen naar het daaropvolgende jaar, zonder dat dit saldo in mindering mag gebracht worden van het opleidingskrediet van de werknemer voor dat volgende jaar.

Opgelet! Een voltijds tewerkgestelde werknemer moet gemiddeld minimum 1 opleidingsdag per jaar hebben opgenomen:

op het einde van elke periode van 5 jaar, die ten vroegste kan beginnen op 01.01.2024
of voor het einde van de arbeidsovereenkomst indien die eindigt voordat de voormelde periode van 5 jaar afloopt.

 

Op het einde van de periode van 5 jaar wordt het saldo van het beschikbare opleidingskrediet op nul gezet.

 

Bron: Wet van 3 oktober 2022 houdende diverse arbeidsbepalingen, B.S. 10.11.2022.

 

Over de auteur

Catherine Mairy, Legal Expert Partena Professional

 

Delen